Piet van Vree; zijn herinneringen aan de oorlogsperiode

DE OORLOGSVERHALEN VAN HUIZE PROVIDENTIA

VERHAAL 4:  PIET VAN VREE

Een van de patiënten 

die de ontruiming van Providentia meemaakte,

vertelt zijn verhaal

Het oorlogsverhaal van

Piet van Vree

geboren 7 februari 1924 ,

overleden 23 april 1998

Op 13 oktober 2024 en 11 mei 2025 werden op

Kloostervelden op vijf verschillende locaties

de oorlogsverhalen van Providentia verteld

door wijkbewoners

die we gevraagd hadden

om 'in de huid te kruipen' van de persoon

die zijn ervaringen deelt. 

Verteller 13-10-24  

Bart Bluemink

Verteller 11 05-2025

Miranda van den Berg

Ik ben Piet van Vree en kom uit Den Haag. Omdat ik epilepsie heb word ik als zestienjarige jongen in augustus 1940 opgenomen in Huize Providentia in Sterksel. Het was oorlog in Nederland. In de tijd tot eind 1942 was het nog best rustig op Providentia, maar daarna werd het helemaal anders. Daar ga ik jullie over vertellen.

 

Het was 6 november 1942, de eerste vrijdag van de maand en dat was iedere maand een bijzondere dag. Dan was er in de kapel om negen uur een plechtige hoogmis, waarin Rector Hussen voorging. Wij liepen om kwart voor negen met een groep patiënten naar de kapel. Toen we daar aankwamen stond broeder Herman Joseph bij de deur en zei tegen mij: “Zeg Piet, wil je even doorgeven aan broederoverste dat er vandaag geen mis is?” Zo gezegd, zo gedaan. De andere broeders, die al in de kerkbanken zaten, kwamen weer naar buiten. Niemand begreep wat er aan de hand is. Zou rector Hussen misschien ziek zijn geworden?

Wij gingen gewoontegetrouw naar de kelder en trokken onze werkkleren aan om in de tuinen te gaan werken. Ineens kwam een van de knechten, Huub Tromp naar ons toe en zei: “Zeg jongens, jullie kunnen vandaag niet gaan werken. Ga maar naar de toneelzaal”.

“Wat zal er toch aan de hand zijn”,vroegen wij ons af. We moesten onze werkkleren uittrekken en onze nette kleren weer aan. Eenmaal in de zaal aangekomen zei een van de broeders tegen ons: “Zeg jongens, jullie moeten nu snel zijn want wij moeten hier weg. De Duitsers zijn hier en ze zeiden tegen ons dat wij om half elf weg moeten zijn.”

Wij waren stomverbaasd. We moesten helpen met inpakken maar we wisten niet goed hoe we dat moesten doen. Het was een chaos en we liepen maar wat rond; dan weer naar boven en dan weer naar beneden.  Toen we even koffie gingen drinken zagen we dat er een Duitse commandant met de knecht Huub Tromp stond te praten. De Duitser konden wij niet verstaan, maar Huub vertelde ons dat hij gezegd had dat wij, omdat wij patiënten zijn, toch pas later in de middag hoefden te vertrekken.

We hadden dus gelukkig wat meer tijd om alles klaar te maken. “Doe het maar rustig aan” zei Huub en wij gingen verder met inpakken. Maar dat ging niet zo gemakkelijk want we waren eigenlijk allemaal in de war en behoorlijk wat jongens waren boos. Er waren er ook verschillende die een epileptische aanval kregen. Wat gebeurde er toch? Tegen de middag kregen we geen warm eten zoals we dat gewend waren, alleen maar brood met thee. Een broeder zei tegen ons: “Zeg jongens, wij gaan naar Vught, naar Huize Voorburg maar wij blijven daar niet zo lang hoor”. Toen alles goed en wel klaar was gingen we naar de voordeur. Buiten stonden er bussen voor ons klaar. Eigenlijk was het maar een bende. Zo, alles maar inpakken, alles door elkaar. Het was een heel gesjouw naar de bussen en naar de vrachtwagens, maar de knechten hielpen ons goed en dat scheelde best veel.

Toen we in Huize Voorburg in Vught waren aangekomen stapte onze chauffeur uit, liep naar de voordeur en belde aan. Even later, toen hij weer terug was bij de bus zei hij tegen ons: “Jullie kunnen nu allemaal uitstappen en daarginds naar binnen gaan”. Hij wees naar de voordeur. We stapten uit de bus en toen we binnen waren gingen we een grote zaal binnen. Na een tijdje kwam een van de broeders naar ons en zei dat alles klaar is. We liepen met hem mee naar een hele grote kelder. Er lagen daar allemaal matrassen op de grond, met dekens en lakens. Zo goed als dat ging maakten we de bedden op, waarna we weer teruggingen naar de zaal. We zochten uit de koffers de spullen die we nodig hadden om later te kunnen slapen. We verzamelden ook wat spullen voor de volgende dag. We hadden honger, maar gelukkig was er een maaltijd voor ons geregeld. Wel mooi dat de broeders dat, ondanks alle chaos, gefikst hadden.

Het was ondertussen al best laat en na het eten gingen we naar de kelder om te gaan slapen. Het was echt wennen want het was ongemakkelijk om op een matras zonder bed te liggen. Wat een rare dag was het! Ik was benieuwd wat ons morgen te wachten zou staan. Na een tijdje viel ik slaap.

Toen ik de volgende morgen wakker werd, wist ik eerst niet waar ik was. O, ja, we waren niet meer op Providentia, maar in Vught. Net als de andere jongens stond ik op en toen bleek dat er bij de wc’s maar twee wasbakken waren. We moesten op elkaar wachten en al met al was het een hele heisa. Een van de broeders kwam ons helpen en zorgde ervoor dat iedereen aan de beurt kwam. Na het wassen en aankleden gingen we weer naar de zaal voor het ontbijt. Daarna moesten we de borden, kopjes en schoteltjes wegbrengen en afwassen. En dan maar weer naar de kelder om onze bedden op te maken. Wat we de rest van die ochtend gedaan hebben weet ik niet meer. Tegen de middag kwamen ze aan met eten, maar de soep smaakte naar spoelwater.

Huize 'Koningslust' in Helden

Op een van de volgende dagen vertelden de broeders ons dat we niet in Vught zouden blijven maar dat we zouden verhuizen naar plaatsen in Limburg, waar ook broeders zijn. De ene helft van de jongens zou naar Heel gaan en de andere naar Helden-Panningen en Helden-Koningslust. De groep die naar Heel zou gaan vertrok als eerste en de andere groep, waar ik bij hoorde, was wat later aan de beurt. Op de dag van vertrek pakten we onze spullen weer in.

Toen we in Koningslust aankwamen stond bij de openstaande deur een broeder met een groot vel papier in de hand waarop stond wie naar het oude gebouw moesten en wie naar Huize Savelberg. Ik behoorde tot die laatste groep. Broeder Hyronimus, de overste van Huize Savelberg, stond ons al op te wachten en toen we binnen waren wees hij ons de weg die wij moesten volgen. Na het eten gingen we onze spullen halen om naar de slaapzaal te brengen. Daar zag ik broeder Ignatius weer, die ik bijna drie jaar geleden gezien had toen ik net in Sterksel was aangekomen. Hij herkende mij ook direct en dat was fijn. De eerste nacht in weer een nieuwe omgeving had ik goed geslapen. We stonden op dezelfde tijd op als in Huize Providentia. Die ochtend vroeg broeder Ignatius aan mij wat voor werk ik deed in Sterksel en ik antwoordde hem dat ik daar in de tuinen werkte. “Hier is niet veel te doen voor je buiten”, zei hij en vroeg of ik zo goed wil zijn om mee boven de bedden op te maken. Ik vond dat goed en de broeder nam mij mee naar de grote slaapzaal boven en daar was broeder Fidelius de baas. Die vond het fijn dat ik hem zou komen helpen. We werkten met z’n vieren om alle bedden op te maken: twee jongens van Koningslust en Marinus Smit en ik uit Sterksel. Al de tijd dat ik in Koningslust verbleef, was dit iedere dag mijn vaste baantje.

Diezelfde dag vroeg ik aan broeder Ignatius: “Hoe zit het met mijn familie? Weet die ook dat wij hier zijn?”Broeder Ignatius zei dat dat zo was en dat ik mij geen zorgen moest maken.

Het leven in Koningslust ging naar verloop van tijd zijn gewone gangetje. We raakten gewend aan het leven daar, ook al misten we Providentia. En zo werd het 1945. Zuid-Nederland was bevrijd, maar wanneer zouden wij terug mogen naar Sterksel? Op zaterdag 5 mei hoorden we zeggen dat de oorlog was afgelopen en dat er vrede is. De bevrijding! Duitsers zagen we allang niet meer, maar wel Engelse soldaten die naar ons toekwamen en vertelden dat ze ‘Tommies’ heetten. We kregen snoep en sigaretten van ze.

Geallieerde soldaten bevrijden Limburg

In de maand juli van 1945 gingen de oudere jongens weer naar Huize Providentia in Sterksel. Die konden daar alvast aan de slag met opruimen. In september mochten wij ook weer terug naar ons huis in Sterksel. Wat waren we daar blij om! We pakten al onze spullen weer in en gingen terug naar Huize Providentia. Maar wat was het daar een rotzooi. Overal bakken en emmers met vuiligheid. En dan nog die bunker die dienst had moeten doen als schuilkelder. En dan stond er nog een nieuw gebouwtje met een plat dak dat de Duitsers hadden laten bouwen. Toen wij weer allemaal thuis waren op Providentia werd het nieuwe gebouw in gebruik genomen als onze school, met mijnheer Frissen als hoofdonderwijzer. Later kreeg het gebouw een nieuw dak en zou nog jarenlang dienstdoen als therapiegebouw.

In de weken en maanden die volgden kwam het normale leven weer langzaam op gang. Ik heb nog veel gelukkige jaren gekend op Providentia en ik ben blij dat Jaap Bruist, die hoofdverpleegkundige was, mij vroeg of ik mijn levensverhaal zou willen opschrijven. Dat heb ik gedaan en in 1993 verscheen mijn boek “Piet van Vree, de Geschiedenis’.

Privacy beleid

OK