DE OORLOGSVERHALEN VAN HUIZE PROVIDENTIA
VERHAAL 5: Providentia tijdens de Duitse bezetting
en na de overname door Engelse legeronderdelen

Op 13 oktober 2024 en 11 mei 2025 werden op
Kloostervelden op vijf verschillende locaties
de oorlogsverhalen van Providentia verteld
door wijkbewoners
die we gevraagd hadden
om 'in de huid te kruipen' van de persoon
die zijn ervaringen deelt.
Verteller: Godelieve de Vries

Zeven jongens voor de poort van Providentia, dat toen 'KLV Jungenslager Sterksel' heette. Kleureninzet: Het logo van de Hitlerjugend dat ook op het zwarte bord is afgebeeld. [1]
Ik vertel u over wat er gebeurde op Providentia tijdens de jaren van de Duitse en Engelse bezetting.
De Gestapo legde op 6 november ‘42 beslag op de inrichting. Men wilde er kinderen van de Hitlerjugend plaatsen in het kader van het project ‘Kinderlandverschickung’. Dit project had als doel om kinderen uit Duitse oorlogsgebieden, vooral steden, over te brengen naar veiliger oorden. Vanuit Wuppertal kwam een grote groep jongens van middelbare scholen, samen met hun leerkrachten naar hier. Een ander deel van de kinderen kwam over van het Reichskommissariat uit Den Haag, het hoofdkwartier van Seyss-Inquart. Het waren kinderen van het Duitstalige personeel. In totaal verbleven er tijdens de bezetting ca. 350 Duitse kinderen op Providentia. Het achtergebleven lekenpersoneel – ‘knechten’ in de woorden van de broeders – diende ervoor te zorgen dat de boerderij in bedrijf bleef, om de voedselvoorziening zo goed mogelijk voort te zetten.
[1] Zie bron nr 2, blz 105
Op de dag van de deportatie van de broeders en de patiënten bleef de huisoverste, broeder Cornelius, achter om – uiteraard tegen zijn wil – de overdrachtspapieren van het onroerend goed op Providentia te ondertekenen. De ondertekening leidde ertoe dat op 10 februari 1943 Providentia officieel verbeurdverklaard werd. Het gehele complex was vanaf die datum eigendom van het Duitse rijk en later van de Nederlandse staat. Dit alles werd vastgelegd in het Kadaster te Eindhoven. Pas vijfeneenhalf jaar later, eind ‘48, kregen de broeders de eigendomsrechten terug. De totale materiele oorlogsschade die door de Duitsers en de Engelsen is aangericht, bedroeg omgerekend naar 2023 bijna 9 miljoen euro.
Vertaling:
Den Haag 10 februari 1943
INBESLAGNAMEBEVEL
Op grond van paragraaf 1 en 4 van de 'Verordering van de Rijkscommissaris van de bezette Nederlandse gebieden van 4 juli 1940 (33/40);
in verband met de regeling van de Rijkscommissaris van 27 mei 1941, worden alle roerende en onroerende activa van de vestiging "Broeders van de Heilige Joseph, klooster 'Providentia' in Sterksel , geregistreerd in het Kadaster als eigenaar "Congregatie van de Broeders van de Heilige Joseph', hoofdvestiging Heel, ten gunste van het Duitse rijk (Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden), in beslag genomen.
Vertegenwoordigd door:
De bevelhebber van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst,
Getekend D. Harster
Brigadeleider,
Generaal-majoor der politie
Het officiële document waarin de inbeslagname van Providentia wordt bevestigd.
Direct na de inbeslagname werd de kapel op last van de Gestapo ontruimd. Op de koorruimte stond het kostbare, slechts twee jaar oude orgel. Veiligheidshalve werd die ruimte door de achtergebleven timmerlui, middels een houten constructie volledig afgeschermd van de kapel. De Duitsers wilden de kapel laten verbouwen tot een school. Aannemer Jan Huybregts uit Heeze, die de kapel in 1931 en ‘32 had gebouwd werd door Verwalter Herman Hol (alias broeder Stefanus) opgeroepen voor de uitvoering van deze verbouwing. Het werd de aannemer al snel duidelijk gemaakt dat hij geen keuze had en de opdracht móest aanvaarden. Maar Huybregts gruwde van het idee dat hij zijn mooie kapel moest gaan verbouwen. Wie verzint zoiets? Maar wat te doen? Hij bedacht een slim plan: hij bracht aan de Duitsers twee offertes uit: een voor de verbouwing van de kapel zoals de opdrachtgevers bedacht hadden, met daaraan een prijskaartje van 28.000,-- gulden, en een tweede offerte voor een nieuw te bouwen school die 22.000,-- gulden zou gaan kosten. De Duitsers besloten de kapel te laten zoals die was en dat er een nieuwe school gebouwd moest worden. Het plan van Huybregts was geslaagd.
Ook diende op het terrein een schuilbunker te worden gebouwd. Dat project werd door de Gestapo aanbesteed voor een bedrag van 165.000,-- gulden (omgerekend bijna anderhalf miljoen euro). [2]

Op deze unieke foto,
gemaakt in de periode dat Engelse legeronderdelen op Providentia verbleven, is deels te zien dat de koorruimte boven, ter bescherming van het orgel, was afgesloten met een houten constructie.
De kapel, waaruit de beelden en kruiswegstaties op last van de Duitsers waren verwijderd, werd gebruikt als eetzaal.
In Nederland werden van dit type bunker twee exemplaren gebouwd: een hier en een bij de Abdij van Lilbosch in Echt. [3]
[2]: Het is niet bekend door welke aannemer de bunker is gebouwd. Uitgebreid onderzoek, waarbij meerdere deskundigen zijn geraadpleegd, heeft niet geleid tot een sluitend en verifieerbaar antwoord op deze vraag.
[3}: Meer informatie over de bunker vind je op deze subpagina
Vanaf februari ’43 werden diverse bouwprojecten uitgevoerd. Het klooster werd door de Duitsers in een rap tempo verbouwd. Een huiskamer werd ingericht als eetzaal en op een van de muren werd een levensgroot portret van Hitler, ‘Der Führer’, geschilderd. Verschillende ruimtes op de eerste etage werden omgebouwd tot klaslokalen, want het zou nog heel wat maanden duren voordat de nieuw te bouwen school klaar zou zijn. Ook werd tegelijkertijd de deels ondergrondse bunker met een lengte van bijna 63 meter gebouwd. Alleen al de wanden van het moloch waren bijna anderhalve meter dik. Het moet daar, aan de westkant van de lange zijde van het klooster, één grote bouwplaats zijn geweest. Sterkselnaar Pietje Hikspoors vertelde in een interview dat hij in de oorlog kolen lostte op Providentia en dat hij daar met zijn paard en wagen ijzeren deuren voor de bunker had afgeleverd.

De Gestapo legde begin januari ‘43 beslag op de Achelse Kluis. Herman Hol werd ter plekke als Verwalter aangesteld. Het was de bedoeling dat zoveel mogelijk inboedel uit de Abdij werd weggehaald. Vrachtrijder Guitjens uit Heeze werd, evenals enkele knechten van hier, door de Duitsers gedwongen om de goederen van Achel naar Providentia over te brengen. In de kapel werden de geroofde spullen gesorteerd en opgeslagen. Wat de Duitsers niet op Providentia konden gebruiken, werd met onbekende bestemming afgevoerd.


Verwalter Herman Hol heeft tijdens zijn verblijf in de Achelse Kluis een briefkaart gestuurd naar zijn vroegere medebroeders in Heel
Hij ondertekent met 'Stef' en 'H.Hol'

Herman Hol, voorheen broeder Stefanus
In diezelfde maand zag de bisschop van Roermond zich genoodzaakt om Herman Hol uit zijn ambt als broeder te ontslaan. Er waren hem meerdere kansen geboden om bij de congregatie te blijven, maar Hol wilde dat blijkbaar zelf niet. Voortaan ging hij als burger door het leven. Hij verbleef slechts enkele weken in Achel en kwam daarna weer terug op Providentia. Omdat hij daar overbodig was stuurden de Duitsers hem naar het dorpje Glanerbrug, net ten oosten van Enschede. Daar ging hij als Verwalter aan de slag in een Franciscaner klooster dat door de Duitsers in beslag was genomen. Na de oorlog werd Hol opgepakt en tijdelijk gevangengezet. Er volgden rechtszaken, maar Hol werd in september ‘47 door een oorlogstribunaal onvoorwaardelijk vrijgesproken van rechtsvervolging. Volgens het vonnis waren er geen afdoende bewijzen geleverd voor hetgeen hem ten laste was gelegd. [4]
[4] Zie bron nr 4, archief CABR
Medio januari ‘43 bracht Reichskommissar Seyss-Inquart een bezoek aan Providentia. Het was de man onder wiens verantwoordelijkheid meer dan honderdduizend Nederlandse Joden naar de concentratiekampen zouden worden gedeporteerd. Hij kwam met zijn gevolg inspecteren of het klooster en de geplande school van voldoende kwaliteit waren om een groot aantal Duitse kinderen te huisvesten en te onderwijzen. De dag ervoor was er een overvloed aan drank, etenswaren en gebak op Providentia afgeleverd. Twee uit Eindhoven opgetrommelde koks zorgden voor een gastronomische maaltijd.
Vanaf maart arriveerden de schooljongens vanuit Wuppertal op Providentia. In die maand kwam Seyss-Inquart opnieuw naar Providentia voor een tweede inspectie. Hij besloot dat ook kinderen van het Duitse personeel van het Reichskommissariat vanuit Den Haag naar hier zouden worden overgebracht. Mogelijk behoorde zijn jongste, toen vijftienjarige dochter Dorothea tot deze groep.
Nadat de maanden verstreken kwam er in beperkte mate contact tussen de nieuwe bewoners van Providentia en de Sterkselnaren. Van hen weten we dat er op Providentia voetbalwedstrijdjes werden georganiseerd tussen de dorpsjeugd en de Duitse schooljongens. Bij de dorpelingen zouden zelfs onderduikers hebben meegespeeld.
Tot het beschikbare archiefmateriaal behoort een handgeschreven lesrooster van een van de klassen van de school. Verder is er over de periode van mei 1943 tot de komst van het Engelse leger in september 1944, weinig informatie terug te vinden. Het was de broeders en het achtergebleven personeel verboden om informatie uit te wisselen en de broeders hadden er bovendien hun handen vol aan, om in de overvolle Limburgse huizen de patiënten te verzorgen.

Een bewaard gebleven lesrooster van de school voor de Hitlerjugend.
Het rooster werd van kracht op 18 april 1944. '
's Middags tussen twee en vier uur moest er huiswerk gemaakt worden.
Jan Polman die tijdens de oorlog als knecht op de boerderij werkte, heeft lang na de oorlog aan zijn zoon Henk het volgende verhaal verteld. "Op enig moment na de invasie van de geallieerden in Normandië in juni ‘44, hadden wij in een van de ruimtes op de boerderij een landkaart van Nederland opgehangen. Met vlaggetjes gaven we aan tot waar de geallieerden gevorderd waren. Toen een van de Duitse militairen de landkaart zag hangen schold hij ons op de bekende agressieve manier de huid vol. De schrik zat er meteen in bij ons en de landkaart hebben we meteen verwijderd en opgeborgen."
De geallieerde troepen rukten begin september vanuit het zuiden op. Op 14 september verlieten de schoolkinderen en een groot deel van de militairen het terrein. ‘Opperwachtmeester der Marechaussee’ Adriaan Kooren uit Maarheeze, kwam een of twee dagen later op Providentia en trof daar nog een aantal Duitse officieren. Hij bedacht een list om ze weg te krijgen. Gestoken in zijn keurige uniform en met een strak gezicht deelde hij de Duitsers mee dat Engelse troepen Weert al waren gepasseerd en nu onderweg waren naar Eindhoven. “Het lijkt mij verstandig dat u meteen stopt met inpakken, want dat heeft nu geen zin meer. U kunt maar beter zo snel mogelijk van hier vertrekken”, blufte de opperwachtmeester. De officieren geloofden hem, overhandigden hem de sleutels van het klooster en maakten zich uit de voeten.
De opperwachtmeester maakte korte, dagelijkse verslagen [5] van hetgeen hij in zijn functie meemaakte. In zijn verslagjes van september 1944 schrijft hij dat de Duitse SS-troepen op 12 september nog zoveel mogelijk goederen uit het klooster van Providentia hadden gestolen, Voorraadkelders werden opengebroken door deuren in te trappen.
[5} Zie bron nr 2 : blz 32 t/m 35

Opperwachtmeester Adriaan Kooren

Op 20 september werd Sterksel bevrijd door de geallieerden onder leiding van de Engelse generaal Miles Dempsey. In de daaropvolgende dagen konden vermoeide manschappen hier heel even op verhaal komen. Het klooster werd ingericht als General Hospital nr 84. Sommige ruimtes werden omgebouwd tot operatiekamers en de toneelzaal werd ingericht als ziekenzaal.
General Miles Dempsey
Sterkselnaar Sjef Driessens weet nog dat de Engelsen in het dorp wit brood uitdeelden. Dat was een waar feest! De militairen hielden ’s nachts de wacht in Sterksel en overdag gebeurde dat door een burgerwacht van Sterkselnaren. Sjef vertelt dat er achter het terrein van Providentia, aan de overzijde van het Turfven, een schietberg was waar die burgerwacht en ook de Engelsen schietoefeningen deden. Als de Engelsen bezig waren liep Sjefke er achteraan om de vaak nog hete hulzen op te halen. Een nogal gevaarlijk spelletje! Een aantal van deze hulzen, die door oxidatie groen zijn uitgeslagen, heeft hij nog altijd bewaard.
Ondertussen besloot het bestuur van de broeders alles op alles te zetten om zo snel mogelijk terug te keren naar Sterksel. Maar hoe graag ze dat ook wilden: ze hadden geen enkele zeggenschap over Providentia. Drie broeders, waaronder een die de Engelse taal beheerste, werden door het gevaarlijke Limburgse oorlogsgebied naar Sterksel gestuurd om polshoogte te gaan nemen. Op Providentia aangekomen werd hen door de Engelsen met een ‘No Way’ de toegang tot het klooster geweigerd, maar ze mochten tijdelijk wel enkele ruimtes in de boerderij gebruiken. De relatie tussen de broeders en de leiding van het General Hospital was problematisch. De Engelsen vonden de broeders vooral lastige ‘in-de-weg-lopers’.
In het hospitaal werden vele gewonde militairen geopereerd en verpleegd. Een Engelse hersenchirurg, Dr. Bleasdale wist het leven te redden van de toen achtjarige Rietje van de Ven uit Geldrop, die bij een verlaat bombardement in december 1944 ernstig hersenletsel had opgelopen.
Halverwege en haaks op het bestaande kerkhof van Providentia, werd een militaire begraafplaats aangelegd. Hier vonden in totaal 42 gesneuvelde militairen hun laatste rustplaats.
Het General Hospital werd half maart 1945 overgebracht naar Venray. Er kwamen vrijwel direct weer nieuwe Engelse troepen op Providentia, onder leiding van Kolonel Jackson en Majoor Hudson. Met hen konden de broeders het een stuk beter vinden. De officieren waren vriendelijk en behulpzaam en hielden de broeders op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen.

De eerste foto van het oorlogskerkhof: 'Gemenebest
Sterksel Monastry cemetery'
Dr. Philip Bleasdale

Op 22 april 1945 arriveerden vanuit Heel dan toch enkele broeders en de eerste patiënten op Providentia. Van veraf hadden ze al gezien dat de twee torens nog fier overeind stonden, maar ze schrokken van de enorme ravage die ze aantroffen: Het uitgeleefde en zwaar beschadigde klooster, de verwaarloosde akkers, weilanden en parken. En dan was er nog die kolossale, met zand gecamoufleerde bunker die als een langgerekte bult bij de kloostermuur lag. Ondanks de desolate toestand op Providentia was de blijdschap vanwege de terugkeer groot. Nieuwe ontwikkelingen maakten echter al na veertien dagen een eind aan de euforie. Op 5 mei was heel Nederland bevrijd en overal was het groot feest. Uitgerekend die middag rinkelde de telefoon in het klooster en kregen de broeders te horen dat ze het huis moesten verlaten. Troepen van de Royal Air Force, die dan nog gelegerd waren in het St. Josephziekenhuis aan de Aalsterweg in Eindhoven, zouden overkomen naar Providentia. Op 11 mei keerden de kinderen en overige patiënten samen met de meeste broeders noodgedwongen weer terug naar Heel.
Op Providentia verbleef in die tijd een Anglicaanse priester: Mister Tuckleman. Hij had de broeders meermaals voorgehouden dat ze vooral druk moesten blijven uitoefenen op verschillende instanties en autoriteiten, om zo hun huis weer vrij te krijgen. “Zo lang jullie niet steeds aan de bel blijven trekken, gebeurt er niets. Iedereen vindt het wel best zo”, waarschuwde de priester. Broeder Agnellus kreeg de opdracht om een plan uit te werken. Agnellus schreef samen met een van de Witte Paters, brieven voor verschillende autoriteiten. Ze werden verstuurd naar steeds hogere autoriteiten: aan de burgemeester van Maarheeze, tot zelfs aan Prins Bernhard toe. De brieven misten hun uitwerking niet: kleine groepjes patiënten en broeders konden geleidelijk aan weer terugkeren naar Providentia.
Vanaf juni 1945 was het een komen en gaan van allerlei Engelse legeronderdelen. Begin oktober was het Engelse leger dan eindelijk definitief vertrokken. Toen werd, onder Nederlands gezag, de voorzijde van het klooster in gebruik genomen als tijdelijk Duits legerhospitaal, ook wel ‘lazaret’ genoemd. Er werden zo’n honderd gewonde, Duitse militairen verzorgd. Broeder Agnellus bleef zoveel mogelijk autoriteiten benaderen om een einde te maken aan deze situatie. Na ruim twee maanden, waarin miscommunicatie en misverstanden tussen de verschillende autoriteiten de rode draad vormden, kwam er schot in de zaak en werd de moeite van vooral broeder Agnellus eindelijk beloond. In de archieven van de broeders wordt de beschrijving van de oorlogsperiode door Agnellus als volgt afgesloten:
14 Februari 1946, kort na het vertrek van de Duitsers [en hun lazaret] was het de dag, de lang verwachte dag waarop we konden zeggen: ‘het huis is weer van ons’!
God zei geloofd en gedankt.
Het vertrouwen in de Voorzienigheid is beloond.

Teruggekeerde patiënten op Providentia poseren tegen de zandberg waaronder de schuilbunker zich bevindt