HET VERHAAL VAN HET KWARTAAL (JULI 2025)
Broeder Ambrosius is een geboren en getogen Limburger. Hij woont er nog altijd, in Heel, bij Roermond.
Een opgewekte man die goedlachs vertelt over zijn leven, over vroeger thuis op de boerderij en over later,
toen hij eigenlijk priester wilde worden, maar uiteindelijk broeder werd bij de Congregatie van de Broeders van de Heilige Joseph. Van de vele jaren dat hij zijn taken als broeder vervult, brengt hij er vijf door op Huize Providentia.
Al vele jaren geniet hij van zijn pensioen en fietst nog iedere dag om zijn conditie op peil te houden.
In maart 2025 vierde hij in goede gezondheid samen met zijn familieleden zijn negentigste verjaardag.
“Alles wat ik mij in mijn leven voorgenomen had om te doen
heb ik kunnen realiseren en ik heb nergens spijt van.
Het leven heeft mij veel kansen geboden en die heb ik ten volle benut.
Ik heb een zinvol leven gehad”.
Broeder Ambrosius Schreurs
Het verhaal van broeder Ambrosius
Geboortenaam: Josef Schreurs
Geboortedatum:16 maart 1935 in Horn (L)
Verbleef op Providentia van 1956 tot 1961

Josef Schreurs is het vierde kind uit een gezin van 10 kinderen (vier jongens en zes meisjes) Zijn ouders hadden een boerderij in Horn en runden een gemengd bedrijf. De oudste zoon Wim heeft later het bedrijf overgenomen, maar toen Wim ging trouwen vertrok hij naar Sevenum waarna het boerenbedrijf van vader werd voortgezet door een jongere broer, Theo. Er waren ook twee knechten: een voor de koeien (omdat de man uit Zwitserland kwam werd hij ‘Der Schweitzer’ genoemd) en een knecht voor de paarden. De ‘Schweitzer’ sliep op een zolderkamertje en de andere knecht sliep in een kamertje bij de paardenstal. ’s Morgens hielp de vader van het gezin nog even mee in de koeienstal, maar rond de klok van acht uur vertrok hij naar zijn eigenlijke werk: eerst (in de oorlogsjaren) bij de voedselvoorziening en later bij de coöperatieve vereniging ‘Landbouwbelang’ waar hij als zaakvoerder werkte op een depot in Beringe, een van de kerkdorpen van het Limburgse Helden.

In Beringe, aan het einde van het kanaal Noordervaart losten schepen (onder andere) kunstmest dat daar in depots werd opgeslagen. Van daaruit werden de goederen verdeeld over de verschillende vestigingen van de boerenbond. Toen hij daar 25 jaar in dienst was kreeg vader een echt Delfts blauwe vaas en die vaas heeft na al die jaren nog altijd een prominente plaats in de woonkamer van broeder Ambrosius.
In de vooroorlogse jaren had vader een auto en reisde dagelijks heen en terug langs het kanaal naar Beringe. In de oorlog had hij een DKW (op gas) die door de Duitsers in beslag werd genomen. Na de oorlog reed hij korte tijd een driewieler-met-laadbak, maar later had hij weer een DKW gekocht.
De boerderij van de familie Schreurs stond midden in het dorp en als de koeien in het voorjaar naar de wei gingen en voor de winter weer naar de stal terug werden gedirigeerd, moest er wel met de bezem achter de dieren aangelopen worden om alle uitwerpselen zo snel en goed mogelijk te verwijderen.
Van het Klein Seminarie Rolduc naar het Juvenaat
Jozef wilde geen boer worden maar priester. Hij mocht van zijn ouders naar het Klein Seminarie Rolduc in Kerkrade. Om priester te kunnen worden moest je eerst een gymnasiumdiploma behalen (klein seminarie) en daarna volgde op het groot seminarie: Een wetenschappelijke studie waarin theologie, klassieke talen (Latijn en Grieks) en filosofie de centrale vakken waren. Het behalen van de vereiste gymnasiumopleiding bleek helaas niet voor Jozef te zijn weggelegd. Na een herexamen werd hij toegelaten tot de eerste klas van het gymnasium maar na drie maanden bleek dat hij onvoldoende basiskennis had van grammatica en zinsontleding die juist bij vakken als Latijn en Duits van grote betekenis waren. Daardoor ging hij van de eerste klas terug naar de voorbereidende klas. Dat gemis aan basiskennis had overigens wel een oorzaak, want op de lagere school werd normaal gesproken in het vierde leerjaar aan die basiskennis volop aandacht
besteed, maar dat jaar viel voor Jozef precies aan het einde van oorlog en in dat vierde leerjaar was effectief slechts drie maanden lesgegeven. Jozef begon op Rolduc dus uiteindelijk aan de voorbereidende klas van het gymnasium. Het kwam erop aan dat hij dat jaar goed zou afsluiten maar bij het eindexamen haalde hij een 5 voor rekenen en een 5 voor Nederlands en dat bleek te weinig om over te kunnen gaan naar de eerste klas. Hij moest tot zijn spijt Rolduc verlaten. Wat nu?

Rolduc Kerkrade
De vader van Jozef vroeg aan een broer van hem, die ook Jozef heette en pastoor was in het Limburgse Meerlo, of hij wist of er een geschikte kostschool voor de jongen was, want ‘thuis op de boerderij’ met alle afleiding van dien en daarbij ‘studeren’ leek vader geen goede combinatie. De broer vertelde aan vader dat er in Heerlen een Juvenaat[1] was; een kostschool waaraan een Mulo (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) verbonden was. Vader Schreurs toog met zijn zoon naar Heerlen en zei daar, dat wanneer men referenties over hem wilde hebben, ze dan de deken van Heerlen moesten bellen, want die kende vader persoonlijk. Dat scheen genoeg geweest te zijn en dus ging Jozef in 1949 naar het Juvenaat en begon daar aan de vierjarige Mulo. Er was een samenwerkingsverband tussen de Mulo van het Juvenaat en die van de stad Heerlen: De eerste twee jaren volgden alle leerlingen de lessen op het Juvenaat in een klooster en het derde en het vierde jaar in een schoolgebouw in de stad Heerlen. Op die manier waren er voldoende leerlingen om beide scholen in stand te houden.
[1] Een Juvenaat is een instelling die vaak aan kloosterordes was verbonden en die de eerste fase vormt in de opleiding tot kloosterling. Klik voor meer informatie hier.
De intreding bij de Broeders van de Heilige Joseph
Jozef, die graag het klooster in wilde, maakte met zijn ouders de afspraak dat hij dat mocht, maar wel pas nadat hij de Mulo succesvol zou hebben afgrond. En zo gebeurde. In augustus 1953 trad Jozef op achttienjarige leeftijd in bij de Broeders van de Heilige Joseph. Zo’n intredingsproces bestaat uit een postulaat, een noviciaat en eindigt met de professie. Het postulaat is een periode van een half jaar waarin de kandidaat, maar ook de leden van de kloostergemeenschap kunnen bezien of het wederzijds ‘klikt’ en of het wenselijk is dat de kandidaat verder gaat in het proces.

Savelbergklooster Heerlen
Daarna volgt het noviciaat (de formele proeftijd) dat twee jaar duurt. Tijdens het noviciaat wordt de novice begeleid door een novicemeester (mentor). Naast het voeren van persoonlijke gesprekken onderricht de novicemeester de nieuwelingen onder andere over de dagelijkse gebedencyclus: Het Officie, waarover verderop meer. Met een ondeugende lach op het gezicht vertelt broeder Ambrosius: “Zo was er ‘s morgens al om zes uur meditatie in de kapel en dat ging dan zo”: terwijl hij dat zegt buigt hij met zijn hoofd voorover om daarmee te demonstreren dat men dan boven het gebedenboek in slaap viel.
Boekbinden en vissen kweken
In de middag leerden de nieuwelingen van de novicemeester de kunst van het boekbinden en de daarbij behorende vaardigheden als innaaien en lijmen. De broeders hadden ook een aquarium en het was voor hen een mooie hobby om vissen te kweken. De novicemeester verkocht de gekweekte vissen en met de opbrengst werden dan weer nieuwe tropische vissen gekocht bij een viswinkel in Heerlen. “Het was een handeltje van heb-ik-jou-daar”, weet de broeder nog.

De professie
Na het noviciaat volgt dan de professie: tijdens een plechtige eucharistieviering, waarbij familieleden van de nieuwe broeder aanwezig mogen zijn, wordt de professie afgelegd. De priester die in de dienst voorgaat zit dan op het priesterkoor op een stoel en de nieuweling zit geknield voor hem op de onderste trede van het priesterkoor. Hij leest hardop de (standaard)tekst van de professie waarmee de gelofte van ‘armoede’, ‘zuiverheid’ en ‘gehoorzaamheid’ wordt uitgesproken. Voortaan draagt de broeder de naam van de heilige die hij zelf gekozen heeft.
Op 19 maart 1956 vond de professie van broeder Ambrosius plaats. Eigenlijk had hij de naam ‘Gerardus’ gekozen, maar een andere broeder had - net voor hem - deze naam al gekozen. Jozef koos toen voor de naam ‘Ambrosius’, omdat een medebroeder met die naam twee maanden eerder, in januari, was gestorven.
Na de professie werd broeder Ambrosius overgeplaatst naar Heel waar hij in het kinderhuis ging werken. Omdat hij heel graag een verpleegkundeopleiding wilde gaan volgen, volgde na een half jaar de overplaatsing naar Huize Providentia en daar kon hij starten met de Verpleegkunde B-opleiding, waarover verderop in dit verhaal meer.
Het leven van de broeders in vergelijking met andere kloostergemeenschappen
Het Rooms-Katholieke kloosterleven is van oudsher verdeeld in een ‘contemplatieve’ en een ‘actieve’ variant. Sommige ordes leiden een contemplatief leven, dat wil zeggen, een leven geheel gewijd aan het zoeken van, en bidden tot God. Het is een combinatie van bidden en werken voor het levensonderhoud (‘ora et labora’ vertaald ‘bid en werk’) en meestal blijft men zijn hele leven in een bepaald klooster. De Clarissen (zusters) en Trapisten (paters) zijn bekende voorbeelden[2] van contemplatieve ordes.
De meeste kloostergemeenschappen, zoals ook de broeders van de Heilige Joseph, maar ook de Dominicanen, Jezuïeten en Franciscanen, zijn actieve ordes en veelal werkzaam in het onderwijs en in de zorg. Hoewel het onderscheid ‘contemplatief’ en ‘actief’ bestaat, gaat het in de praktijk meestal om een mix van beiden (‘Vita Mixta’ genaamd). De broeders bijvoorbeeld, leefden in een klooster, hadden een intensief gebedsleven, maar waren als verpleegkundige of als arbeidstherapeut, ook zeer betrokken bij het leven van de patiënten die zij verzorgden en zij werkten ook samen met lekenpersoneel.
Het Officie[3]
Kloosterlingen volgen het zogenaamde Getijdengebed, dat formeel bestaat uit de volgende acht Getijden, ook wel ‘Officie’ genoemd:

De broeders volgden in de tijd van broeder Ambrosius niet alle onderdelen meer van het dagelijkse Officie. Voor hen golden de volgende onderdelen: om 6.00 uur het ochtendgebed en de Terts om 9.00 uur. Dan om 12 uur de Sext en om 15.00 uur het drie-urengebed en ’s avonds nog het avondgebed.
Broeder Ambrosius volgt nog altijd een aantal gebeden uit het getijdeboek zoals bijvoorbeeld het avondgebed. Hierboven staat een gedeelte van dat gebed uit zijn getijdeboek afgebeeld.
Hoe bepaald werd in welk huis een broeder werd gestationeerd
Een beschrijving van de de organisatie van de Congregatie van de Broeders van de Heilige Joseph vind je op deze pagina .
In de tijd van broeder Ambrosius bepaalde het bestuur van de congregatie waar een broeder werd geplaatst; die had daar zelf geen vrije keuze in, maar kon wel een specifieke wens kenbaar maken. Zo had broeder Ambrosius de Algemeen Overste laten weten dat hij graag op Providentia wilde gaan werken omdat hij daar in de gelegenheid zou zijn om een verpleegkundeopleiding te gaan volgen. Daarover doorpratend zegt Broeder Ambrosius dat hij wel een roeping heeft gehad om priester te worden, maar toen dat niet haalbaar bleek, wilde hij bovenal verpleegkundige worden. Een roeping om broeder te zijn was er volgens hem niet. Het kloosterleven en het daaraan gekoppelde celibataire leven was voor hem een gegeven.
Vaak hield een overplaatsing van een broeder verband met de verkiezing van een nieuwe algemene overste en de daaropvolgende verkiezing van de huisoversten. Als die verkiezingen achter de rug waren volgde er vaak een herschikking van meerdere broeders over de verschillende huizen. De vraag van Broeder Ambrosius om overgeplaatst te worden naar Providentia werd gehonoreerd en zodoende kon hij daar aan de opleiding Verpleegkunde B beginnen. Dat hij werd opgeleid voor het beroep dat hij zo graag wilde uitoefenen werd een uitermate belangrijke stap in zijn leven. Op Providentia leerde hij samenwerken met collega’s die behoorden tot het lekenpersoneel.
Broeder Ambrosius zou van 1956 tot 1961 op Providentia blijven.

Het Zwarte Kruis’,
Het eerste onderscheidingsteken behorende bij de ‘Verpleegkunde
B- opleiding
De opleiding Verpleegkunde B (psychiatrie)
Die opleiding, die er dankzij Dokter Rutten was gekomen had voor de studenten van Providentia (en dus ook voor broeder Ambrosius) een afwijkend studiepatroon, vanwege toegevoegde lesstof over het vakgebied epilepsie. Vanwege die toevoeging moesten de studenten twee jaar doen over het (normale) eerste jaar; twee jaar over het tweede jaar en daarna volgde er nog een extern jaar: ofwel bij Huize Voorburg in Vught, ofwel bij de Rijks Psychiatrische Inrichting (RPI) in Eindhoven. In totaal duurde de opleiding dus vijf jaar.
Na het eerste opleidingsjaar van broeder Ambrosius en nog vier andere studenten kwam er een andere broeder uit Huize Voorburg terug op Providentia waarop Ambrosius aan de algemeen overste voorstelde dat van de vier broeders die nu net klaar waren met het eerste jaar, er meteen twee naar Huize Voorburg zouden gaan om zo te voorkomen dat er later op Providentia een personeelstekort zou ontstaan.
De overste ging met het voorstel akkoord en broeder Ambrosius ging samen met een andere broeder het tweede en derde jaar in Voorburg volgen. De twee vertrokken op maandagochtend in alle vroegte op een brommertje naar Vught om daar om 7.00 uur op de afdeling te staan. Ze bleven dan veertien dagen op Voorburg en mochten dan daarna voor een lang weekend (drie dagen) weer terug naar Providentia.
Herinneringen aan de tijd op Providentia
Broeder Ambrosius begon op de ouderenafdeling (De Aloysiuszaal). Een tijd later kwam hij bij een groep adolescenten te werken, maar dat was van relatief korte duur omdat hij niet voldoende overwicht over de jongens had. Of in zijn eigen woorden: “ik straalde kennelijk niet genoeg gezag uit”. Broeder Ambrosius ging daarom aan de slag op de kinderafdeling. In de zomer, als het mooi weer was, liep hij met ca twintig jongens over de Sterkselseweg richting Heeze. Onderweg kwamen ze bij het riviertje de “Sterkselsche Aa” waarin de jongens mochten gaan zwemmen. Zo nodig werd er een provisorisch dammetje gemaakt waardoor het water wat hoger kwam te staan. Broeder Ambrosius moest het allemaal wel goed in de gaten houden, want wanneer je met twintig kinderen bij zo’n riviertje als enige van de leiding aanwezig bent, moet je er wel op verdacht zijn dat kinderen een epileptische aanval zouden kunnen krijgen.
In eerdere interviews met lekenpersoneel kwam vaak naar voren dat personeelsleden meestal graag met de broeders van doen hadden en dat de sfeer op Providentia ronduit gemoedelijk was. Broeder Ambrosius onderschrijft dat volledig. “Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit echte problemen met collega’s heb gehad”, zegt hij.

Broeder Ambrosius had op de grote slaapzaal op de zolderverdieping van het klooster een eigen kamertje. De deur van de kamer stond altijd op een kier, zodat hij het kon horen als een van de jongens een aanval kreeg. Mocht het zo zijn dat het geluid hem toch niet uit zijn slaap kreeg, dan was er altijd wel een andere jongen die hem wakker kwam maken. Het ging er in die gevallen vooral om dat de jongen die de aanval had gekregen niet uit bed zou vallen of in zijn kussen zou kunnen stikken.
Van de kamertjes op de grote slaapzalen voor de dienstdoende broeders en andere surveillanten, zijn geen foto's beschikbaar.
Andere broeders hadden een eigen 'cel' aan de voorzijde van het klooster.
Op de foto zie je een huidig 'restant' van een van deze cellen.
Tijdens ons gesprek laat ik Broeder Ambrosius enkele foto’s zien van het huidige interieur van het klooster. Vooral de zolderverdiepingen zijn voor hem bijna onherkenbaar veranderd. Maar de foto hiernaast roept meteen herinneringen bij hem op! Dit apparaat stond vroeger in de technische ruimte van de filmzaal en diende voor de belichting van de filmprojector. Hij weet dat nog goed omdat hij in zijn tijd vaak films heeft gedraaid. Aan de zijkant van dit apparaat werd een koolstift geplaatst die vervolgens werd aangestoken en het brandpunt van de stift produceerde zo de hoeveelheid licht die nodig was om de film te kunnen projecteren. Voor elke filmrol die gedraaid werd had je één koolstift nodig. Dus bij het wisselen van de rol werd er ook een nieuwe stift geplaatst.

Broeder Ambrosius vond het wel leuk werk, dat hij eigenlijk bij toeval was gaan doen. De broeder die dat voor hem deed, was op een bepaald moment uitgetreden. De films die gedraaid werden kwamen in zijn tijd van bioscopen uit Heeze en Helden-Beringe en werden door de bioscopen gratis aan Providentia uitgeleend.

Broeder Ambrosius heeft ook nog ongeveer een half jaar leidinggegeven in de arbeidstherapie en wel in het schooltje dat tijdens de bezetting door de Duitsers was gebouwd als school voor de Hitlerjugend en later dienstdeed als ruimte voor arbeidstherapie. In een van de ruimtes kregen de jongens inpakwerk te doen voor Philips. Het ging om het inpakken van de foto-fluxlampjes. Tien lampjes moesten in een kartonnetje worden geplaatst, waarna die kartonnetjes weer in een doos moesten worden gedaan en een aantal van die dozen gingen dan weer in een nog grotere doos.
Ook werden voor de deurenfabriek van de fa. Berkvens uit Someren kartonnen profielen in elkaar gezet die daarna in de fabriek tussen het raamwerk van binnendeuren konden worden geplaatst.
Van de ene dag op de andere werd broeder Ambrosius weer eens overgeplaatst; ditmaal naar Heerlen. Op de dag dat hij hoorde dat hij overgeplaatst werd, pakte hij nog diezelfde avond zijn spullen, vertrok naar Heerlen en belde ’s morgens naar zijn contactpersonen bij Philips en Berkvens om te vertellen dat hij was overgeplaatst. Zo ging dat…
Zoals iedereen aan wie die vraag gesteld is, vindt ook Broeder Ambrosius dokter Rutten een bijzonder aimabele man. "We noemden hem altijd ‘TjèTjè’ want dat was zijn stopwoordje" weet de broeder nog. Dokter Rutten was de hoofddocent van de Verpleegkunde B-opleiding. “Ik haalde bij hem tienen voor de proefwerken!”, zegt Broeder Ambrosius met zichtbaar plezier. “Wij kregen met zes á zeven man les van hem in de recreatiezaal van de broeders en terwijl wij in grote comfortabele fauteuils naar hem zaten te kijken en te luisteren, liep hij door de ruimte te ijsberen. Dat deed ie altijd.

Het studeren gaat nog een tijd door
In 1961 werd broeder Ambrosius overgeplaatst naar een verpleegafdeling van het huis van de broeders in Heerlen. Hij werkte daar voor bejaarde patiënten die aan een lichte vorm van dementie leden. Weer twee jaar later deed zich voor broeder Ambrosius de mogelijkheid voor om in het ziekenhuis in Heerlen te gaan werken en daar kon hij de verpleegkunde A-opleiding (gericht op verpleging in ziekenhuizen) gaan volgen. Doordat hij de B-opleiding al op zak had kreeg hij de nodige vrijstellingen waardoor de duur voor de A-opleiding voor hem dan nog twee jaar bedroeg.
Een benoeming als ‘donderslag bij heldere hemel’
In de tijd dat broeder Ambrosius de A-opleiding volgde en in het ziekenhuis in Heerlen werkte, was broeder Paschalis, geboren Fuchs de algemeen overste in Heerlen. Eind 1968 (zijn vader was toen al overleden) wilde broeder Ambrosius een bezoek brengen aan zijn moeder in Horn. Hij ging naar broeder Paschalis en vroeg hem om reisgeld. Die gaf hem het geld en zei er plompverloren bij: “Je bent benoemd als overste en als verpleegkundig directeur in Heel”. Die mededeling kwam zomaar, als een donderslag bij heldere hemel. "Toen ik thuiskwam bij mijn moeder bleek dat zij en mijn broers en zussen al van mijn benoeming op de hoogte waren en toen heb ik gejankt”, herinnert broeder Ambrosius zich als de dag van gisteren. In het dorp Heel had de tamtam kennelijk zijn werk gedaan en een neef van de familie die een drankenhandel had in Horn en ook leverde aan cafés in Heel, had daar het nieuws opgepikt en in Horn doorverteld. “Iedereen wist het dus al een tijd, behalve ik, en dat stoorde me”, vult broeder Ambrosius aan.
Toen hij eenmaal in Heel aan de slag was, was het voor broeder Ambrosius duidelijk dat hij persé een managementopleiding wilde gaan volgen en dat kon aan de hogeschool van Nijmegen. Maar voordat hij aan die opleiding kon beginnen moest er nog wel toestemming komen van het bestuur. Daartoe diende broeder Ambrosius een verzoek in dat op de agenda van een bestuursvergadering werd geplaatst. Het bestuur ging akkoord op voorwaarde dat hij 50% van de opleidingskosten terug zou betalen en daarnaast moest hij in de weekenden beschikbaar zijn voor het instituut. Met dat groene licht startte broeder Ambrosius ongeveer een half jaar na zijn benoeming met de opleiding en kon die na twee jaar succesvol afronden. In het werkzame leven van broeder Ambrosius heeft het leidinggeven steeds meer een belangrijke plaats ingenomen en dat paste goed bij hem.
Broeder Ambrosius wordt bestuurslid van Kempenhaeghe
Broeder Ambrosius heeft dus vijf jaar op Providentia gewoond en gewerkt. Toch is de band tussen hem en het huis in Sterksel gebleven want later heeft hij nog jaren in het bestuur van Kempenhaeghe gezeten. Het bestuur behandelde allerlei zaken op het gebied van zorg, financiën en personeel. Broeder Ambrosius vond dat interessant werk en het bleek dat hij een verdienstelijk bestuurslid was. Hij kreeg complimenten van de voorzitter, professor Bachus, (professor aan de Technische Universiteit Eindhoven) omdat hij de financiële stukken niet alleen kon lezen, maar doordat hij ze grondig bestudeerde kon hij er ook een onderbouwd oordeel over geven. Met een later bestuurslid die verbonden was aan het Catharinaziekenhuis in Eindhoven spitte hij de jaarrekeningen van Kempenhaeghe door. “Ik vond dat heel leerzaam om te doen”, vertelt hij nog.
Een terugblik op zijn leven
Broeder Ambrosius is een tevreden mens en geniet volop van de dagen die hem nog gegeven zijn. Hij fietst nog elke dag zo’n twintig kilometer en houdt zijn conditie zo goed mogelijk op peil. Terugkijkend op zijn leven is hij even stil… Dan komt er een glimlach op zijn gezicht als hij zegt: “Alles wat ik mij in mijn leven voorgenomen had om te doen heb ik kunnen realiseren en ik heb nergens spijt van. Het leven heeft mij veel kansen geboden en die heb ik ten volle benut.
Ik heb een zinvol leven gehad”.
Opgetekend te Heel,
oktober 2022
FvB