HET VERHAAL VAN HET KWARTAAL
( december 2025)
Om een verhaal te kunnen schrijven over iemand die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw op Providentia heeft gewoond of gewerkt, moet je een beetje geluk hebben. Soms is de persoon over wie het gaat nog in leven en kun je met hem of haar in gesprek. Voorbeelden daarvan zijn de verhalen van Henk Schenkelaars, Sjef Walters en broeder Ambrosius.
Frits de Louw, over wie het onderstaande verhaal gaat, leeft niet meer en dus ben je afhankelijk van familieleden en collega’s. Zijn zoon Peer kon de tekening van het leven van zijn vader heel goed maken. Toen die in 1982 met vervroegd pensioen ging trad Peer nog datzelfde jaar in de voetsporen vader.
Ook hij kwam in dienst van Providentia, cq
Kempenhaeghe.
Samen hebben Peer en ik verwoord wie Frits de Louw was; hoe hij betrokken was bij zijn werk en vooral bij de bewoners met wie hij elke dag op de boerderij en in de bossen werkte.
Dit verhaal is een mooi voorbeeld van de sterke verbinding tussen de dorpelingen van Sterksel en Providentia.
Het verhaal van Sterkselnaar
Frits de Louw
oud-medewerker,
verteld door zijn zoon Peer
Geboren: 10 juli 1927
In dienst bij Providentia: 1957
Pensionering : 1982
Overleden: 1988
De vader van Frits,
Peer

FRITS DE LOUW

Echtgenote
Lies de Louw-Henselmans

De ouders van Frits de Louw kwamen oorspronkelijk uit Borkel en Schaft. In het begin van de jaren twintig kwamen zij in contact met het echtpaar Vos de Wael, een bemiddeld stel afkomstig uit Ede, dat in die tijd aan de Stationsstraat op Sterksel woonde (de huidige Beukenlaan) en die flink wat grond had gekocht van de failliet gegane “Maatschappij Heerlijkheid Sterksel”. Het echtpaar bouwde – ter verpachting – in totaal zeven boerderijen: drie aan de Vlaamseweg, twee aan het Peelven, één aan de Stoeiing en één aan de Pastoor Thijssenstraat. De ouders van Frits pachtten de eerste boerderij aan de Vlaamseweg en Frits werd als Benjamin van het gezin van negen kinderen (als enige) geboren in hun nieuwe woning, op 10 juli 1927.
[1]Meer informatie over het echtpaar Vos de Wael vind je op site van Sterksel.nu. Klik daarvoor op deze KNOP
Frits ging naar de lagere school op Sterksel waar in die tijd de heer Schilleman het hoofd van de school was (later ging ook diens zoon als leraar op die school aan de slag). Frits doorliep daarna de Landbouwschool en toen hij die had afgerond ging hij werken bij boer Snel, eveneens aan de Vlaamseweg. Frits hielp hem vooral hielp bij het ontginnen van de heide. Een gigantische klus in die tijd, want er was heel veel heide en de grond eronder was bijzonder onvruchtbaar. Na één spade in de grond zat men al op het gele zand. In het begin van de vorige eeuw was er een smalspoorlijn aangelegd, vanaf de halte Sterksel, via de Kloosterlaan naar de Albertlaan zodat de broeders de
materialen voor de bouw van het klooster via het spoor konden vervoeren. De wagonnetjes werden door paarden voortgetrokken. Er was ook een aftakking van het spoortje gemaakt naar de Averbodeweg. Voor de immense boerderij Germinahof stond een grote loods voor de opslag van materialen. Vanaf die boerderij werden voor het ontginningswerk ossen ingezet om de ploegen te trekken. Vlakbij de Germinahof lag aan de Stoeiing de inmiddels afgebroken boerderij van de familie Kursten waar een loods bij stond waarin kunstmest werd opgeslagen, die eveneens per trein over het smalspoortje werd aangevoerd. Die kunstmest bleek van essentieel belang bij het vruchtbaar maken van de bodem. Verondersteld mag worden dat Frits in die tijd heel wat kunstmest (met een zaaibak aan de hand) heeft uitgestrooid.

Op de voorgrond, tussen de bomenrijen, is het smalspoorlijntje te zien, dat hier afbuigt naar de Averbodeweg
Bij de Jorishoeve:
rechts, Frits
tweede van rechts, Sjors
Van de Jorishoeve naar Providentia
Aan de Pandijk was in die tijd door de familie Kersten uit Tilburg grond aangekocht en op een gedeelte van het perceel werd een boerderij gebouwd: de Jorishoeve. Het was een familie van wijnhandelaren en zij hadden iemand nodig die hun boerderij wilde pachten en daarbij ook de zorg op wilde nemen voor de zoon van de heer Kersten. Die zoon, Sjors, had namelijk een verstandelijke beperking en zij wilden niet dat hij in Tilburg bij hen zou blijven, want dat was, zo vond men, niet echt goed voor hun goede naam en faam als wijnhandelaren. In 1954 pachtte de inmiddels getrouwde Frits en zijn vrouw Lies, voor een periode van drie jaar de Jorishoeve en daar werd ook hun eerste kind geboren. Sjors werkte mee op de boerderij en was, met zijn onafscheidelijke pijp, al gauw een bekend gezicht in heel Sterksel. Het was
een gezellig buurtje daar bij de Jorishoeve omdat vlakbij, in een klein huisje ‘Omaake Burgers” woonde, die (steevast met schort aan en hoofddoekje op) bij de De Louw’s kind aan huis was en er was ook nauw contact met de andere buren: De familie Van de Ven.
Na de eerste drie jaren kon het echtpaar De Louw de pachtperiode verlengen, maar daar zagen zij van af. Frits was ingegaan op een aanbod van de broeders voor een baan op Providentia. Sjors kon nog een tijd blijven wonen op de Jorishoeve bij de volgende pachters, maar na enkele jaren verhuisde hij naar Eindhoven waar hij in een gezinsvervangend tehuis kon worden opgenomen. De familie De Louw heeft nog vrij lang contact gehouden met Sjors en een aantal keren per jaar waren er bezoekjes over en weer.
Het gezin De Louw verhuisde naar de Ten Brakeweg op de plek (vlakbij het kapelletje) waar tegenwoordig Jan Theo Weeda woont. Op deze oude foto is de splitsing op de Ten Brakeweg te zien: rechts staat het Mariakapelletje en links loopt de zandweg door naar Providentia. In de verte is nog de spits van de toren van het klooster zichtbaar. De verhuizing vond plaats in 1957 en het gezin zou er tot 1970 blijven wonen.
Vanwege de gezinsuitbreiding (er waren inmiddels zeven kinderen) was het huis aan de Ten Brakeweg te krap geworden en er volgde een verhuizing naar de Pastoor Thijssenlaan 16. Frits en Lies zouden er de rest van hun leven blijven wonen. Het huis aan de Ten Brakeweg is afgebroken en vervangen door nieuwbouw, (met uitzondering van het kippenhok: Dat staat er nog altijd).
De Ten Brakeweg, eind jaren vijftig
Het wakker maken van de jongens: een vak apart
Bij de start van zijn nieuwe baan op Providentia deed Frits van alles en nog wat; een echt ‘manusje van alles’. Later kreeg hij een vaster takenpakket. ’s Morgens vroeg om zeven uur hielp Frits de dienstdoende broeder bij het wakker maken en aankleden van de jongens op de grote slaapzaal. Dat gebeurde volgens een vast patroon waar de jongens volledig aan gewend waren. Bij de ene jongen volstond het om even een teen aan te raken, een ander kon je maar het beste roepen en er waren er ook die behoorlijk stevig moesten wakker geschud, want anders kwamen ze gewoon hun bed niet uit. Frits wist precies welke aanpak bij welke jongen paste. Maar ja, er kwamen wel eens nieuwe broeders op Providentia werken die andere opvattingen bleken te hebben over de manier waarop de jongens wakker gemaakt moesten worden. Frits kreeg van zo’n nieuweling op een bepaald moment te horen dat de manier waarop hij dat deed echt niet kon, waarop Frits tegen de broeder zei; “Oké, dan doede gij het mar op jouw manier!”. De broeder probeerde de volgende dag zijn eigen methode uit, maar kwam er snel van terug toen een van de jongens hem een flinke klap in zijn gezicht had gegeven. “Ik geloof dat jouw aanpak misschien niet beter, maar wel verstandiger is”, zei hij beduusd tegen Frits en inderdaad: het was echt maatwerk.

Een historische foto van de boerderij, gemaakt in 1935, kort nadat het gebouw was opgeleverd
Volledige zelfvoorzienendheid
Na het ontbijt ging Frits met de jongens naar de boerderij om daar te gaan werken op de akkers: schoffelen, hooien, aardappels rooien, meewerken in de groentetuin of helpen bij het onderhoud in de bossen, enzovoort. Daarnaast waren er de koeien, kippen en varkens en ook nog eens een moestuin en een boomgaard.
De boerderij en alles wat daarbij hoorde voorzag in een nagenoeg complete zelfvoorzienendheid op het gebied van voeding. Een logisch gevolg was dat de (warme) maaltijden die in de keuken van het klooster werden bereid, zo goed mogelijk waren afgestemd op wat het seizoen op een bepaald moment voortbracht. Ook voor de dieren op de boerderij had de zelfvoorzienendheid betekenis: alle restanten van het eten kwamen vanuit de keuken terug naar de boerderij en werd aan de dieren gevoederd.
De collega’s van Frits
Er was op de boerderij heel wat lekenpersoneel actief: Huub Tromp was in die tijd de baas op de boerderij, Jan Polman en Toon Vos hadden de zorg voor de groentetuin en Frits voor de aardappelen, de uien en het graan. Ook verzorgde hij het onderhoud van de bossen en de parken. Er waren nog andere collega’s: Sjaak Maas was melkknecht en de bewoners Kees en Cor Markwat waren hulpen bij de dierenverzorging. Een andere collega, Bert Joosten overleed spijtig genoeg, rond zijn vijftigste verjaardag aan de gevolgen van een hartinfarct. Zijn opvolger was Toon de Brouwer maar die bleek er toch niet de persoon naar te zijn om met de bewoners om te gaan. Het is ook niet vanzelfsprekend dat iedereen dat kan. Na enige tijd vertrok hij daarom naar het Waterschap en voor hem kwam Gerard Gijsbers in de plaats, die later werd opgevolgd door Thieu Lamers, een jonge man die de HAS (Hogere Agrarische School) had gevolgd. In het begin boterde het niet zo tussen Thieu en Frits omdat er zich een klassieke botsing voordeed tussen de theorie (van Thieu) en praktijk (van Frits), maar gelukkig is dat allemaal goed gekomen.
Invloed van maatschappelijke ontwikkelingen
Frits heeft in zijn loopbaan op Providentia de vaak stormachtige ontwikkelingen van de jaren zeventig en tachtig meegemaakt. Toen hij begon was het normaal dat de jonge bewoners bij alle activiteiten op het boerenbedrijf werden ingezet en daarbij werden begeleid door het (leken)personeel. Die inzet was ook nodig want het was, vanwege die zelfvoorzienendheid een veel omvattend, kleinschalig boerenbedrijf. Gaandeweg, vanaf de tweede helft van de jaren zeventig kwamen er grote veranderingen die ook verstrekkende gevolgen hadden voor de boerderij.
Binnen de medische wereld kwamen er door nieuwe kennis en inzichten, andere opvattingen over de vraag of bewoners (patiënten met epilepsie) wel zouden moeten werken op de manier zoals dat tot dan toe gebruikelijk was. Ook stelde men zich vragen of het wel zo verstandig en noodzakelijk is om de jongens te blijven opnemen in tehuizen zoals Providentia (afgesloten van de maatschappij) en tot slot waren de medicijnen voor epileptici in de loop van de tijd sterk verbeterd. Al deze ontwikkelingen hadden tot gevolg dat gaandeweg veel jongens naar huis of naar gezinsvervangende tehuizen of buitenhuizen vertrokken en werk vonden in de sociale werkvoorziening of anderszins. Ook de noodzaak tot zelfvoorzienendheid die zo kenmerkend was voor Providentia, werd steeds minder relevant en voor de boerderij betekende dit alles dat niet meer de productie centraal stond, maar de functie die het boerenbedrijf had voor dagbesteding.
Trekpaarden en kolen
Terug naar de vroege jaren zestig van de vorige eeuw. Dat was een tijd waarin bij het vele werk op de boerderij paarden werden ingezet. Niet de ouderwetse ‘Belgische knollen’, maar zogenaamde ‘Vos-paarden’. Frits werkte graag met dit mooie en ook bijzonder sterke ras.
Op zondag mochten jongens die dat konden op deze paarden gaan rijden (zie foto). Dat was een prachtige belevenis voor ze en misschien was het voor die viervoeters ook wel een welkome afwisseling ten opzichte van het vele sjouwwerk waar ze door de week mee bezig waren.
De paarden speelden een belangrijke rol in de aanvoer van kolen; verreweg de belangrijkste brandstof in die dagen. (Pas in de jaren zeventig kon er op Providentia worden overgeschakeld op aardgas.) Eens in de zoveel tijd werd een wagon met kolen besteld. Met een goederentrein werd dan een kolenwagon naar station Heeze gereden, waar de lading op een losplaats werd gekiept. Frits reed met paard en wagen (en later met de tractor) naar het station om het zwarte goedje op te laden. Er moest heel wat keren op en neer gereden worden tussen Heeze en Providentia, voordat alle kolen op de plek van bestemming waren gearriveerd. Gelukkig ging Guus vaak met Frits mee, want Guus (een van de bewoners) was een beresterke vent. Hij kon goed met een grote kolenschop overweg, waardoor het overladen van de kolen een beetje opschoot.
Net als op alle andere boerenbedrijven werden ook op Providentia ergens in de jaren zestig de trekpaarden vervangen door een tractor. Men schafte een Güldner aan; een Duits merk dat tegenwoordig niet meer bestaat. Frits heeft heel wat tijd op dit landbouwvoertuig doorgebracht.

Vos-paard

De 'zondagruiters'

De eerste 'Güldner-tractor op de boerderij
Thuishulp….
Er waren jongens op de boerderij werkzaam die echt ‘groene vingers’ hadden; die met plezier op de akkers werkten en verstand hadden van het verbouwen van gewassen. Twee van hen, Sjaak en Jan, kwamen de familie De Louw vaak helpen bij het verzorgen van hun moestuin, want de twee konden heel goed met schop en schoefel (Brabants voor ‘schoffel’) overweg en dat gaf ook wel enige afwisseling ten opzichte van het werk dat ze op Providentia deden. Ze deden dat graag, maar kregen van Frits en zijn vrouw Lies wel eens een beloning in de vorm van sigaren (soms kregen ze zelfs een doos mee) of er werden wat guldens toegestopt.

Autoloze zondagen in 1973
Snelwegen waren voor even het terrein voor fietsers
1973: de autoloze zondagen… wat nu?
Tijdens de befaamde oliecrisis van 1973 kondigde de toenmalige premier Den Uyl de autoloze zondagen aan, die als doel hadden het gebruik van olieproducten zoals benzine, diesel en stookolie drastisch terug te dringen.
Oliecrisis of niet, de koeien moesten gemolken worden en wanneer Frits ’s zondags voor het melken naar de boerderij moest, pakte hij altijd de auto, maar dat mocht nu niet meer. Wat nu? Zoon Peer had in die dagen net een bromfiets gekocht (een Zündapp) en dat kwam zijn pa kwam goed uit.
Hij zei tegen Peer dat hij niet van plan was om op de fiets naar de boerderij te gaan (ondanks dat het maar een klein stukje fietsen was) en stelde gewoon dat Peer hem achter op zijn brommer naar Providentia moest brengen. Peer, die daar eigenlijk niet zoveel zin in had, vond dat zijn pa maar ontheffing aan moest vragen (je kon namelijk een ontheffing van het rijverbod krijgen als je kon aantonen dat je de auto nodig had om naar je werk te gaan), maar Frits wilde dat niet. Hij was niet te vermurwen en dus kon Peer op de betreffende zondagen vroeg uit de veren om pa achterop de brommer naar Providentia te brengen. Peer bleef dan maar meehelpen totdat alle koeien gemolken waren, waarna het terugritje naar huis volgde.
Hoe corrigeer je het gedrag van een bewoner?
Altijd wel lastig, maar Frits had daar een eigen manier voor. Wanneer het nodig was sprak hij zo’n jongen aan zei dan: “Ik geloof dat het tijd wordt dat wij weer eens een eindje gaan wandelen”. Er volgde dan – al wandelend – een toch wel stevig gesprek waarin Frits zo’n jongen duidelijk maakte waar hij zich aan te houden had. Het was ook echt belangrijk dat er grenzen gesteld werden, want als de emoties bij de puberende jongens hoog opliepen, konden ze vaak niet goed onder woorden brengen wat ze dwars zat en dan kon het zo maar gebeuren dat ze uit frustratie met schoffels of rieken gingen gooien. Dat leverde soms gevaarlijke situaties op. Het is zelfs gebeurd (en Frits was daar getuige van) dat een jongen in zo’n bui een andere bewoner voor een vuilniswagen van Van Ganzewinkel duwde. Een onbezonnen daad die ertoe leidde dat bij het slachtoffer een been moest worden geamputeerd. Deze tragische gebeurtenis hield de gemoederen in Sterksel een tijdlang bezig.
Kermis vieren en asperges steken; een lastige combinatie
Met Pinksteren was (en is) het altijd kermis op Sterksel, op de plek aan de Heezerweg waar nu een speeltuintje is. In het grote huis aan de andere kant (aan de Beukenlaan) was toentertijd het hotel St. Paul gevestigd. Voor de kermisdagen werd er een grote feesttent geplaatst tussen het hotel en het kermisterrein. Erg gezellig natuurlijk en er werd meestal flink doorgezakt. Maar – heel vervelend – het was ook net de periode waarin er veel werk aan de winkel was met de asperges die op een groot veld stonden aan de westzijde van de boerderij, de plek waar nu de geitjes, ganzen, alpaka’s en andere dieren rondlopen. Het steken van de asperges dient ’s morgens voor dag en dauw te gebeuren en Frits moest daar met zijn zwaar hoofd bij zijn. “Gullie got mer mee”, zei hij dan tegen zijn kinderen. Dat verzachte voor hem de pijn wel een stuk. Tegensputteren? Nee, dat was er in die tijd niet bij.

Het einde van de loopbaan van Frits
Op latere leeftijd werd Frits hartpatiënt en moest meerdere keren in het ziekenhuis worden opgenomen. In fysieke zin verliep zijn herstel tot tevredenheid, maar in mentale zin was het soms moeilijk voor hem om te verwerken wat hem was overkomen. Vanwege zijn ziekte is hij uiteindelijk arbeidsongeschikt geworden en aan zijn lange loopbaan bij Providentia komt in 1982 vervroegd een einde.
Terugblik op het werkzame leven van Frits de Louw
Frits heeft volgens zijn zoon Peer vijfentwintig jaar lang met liefde en plezier bij Providentia gewerkt. Het werk daar was echt een roeping voor hem. Toen hij arbeidsongeschikt werd wilde hij het contact met de jongens zo goed mogelijk in stand houden (“mijn jongens” noemde hij ze altijd). Daarom ging hij iedere middag zo rond etenstijd naar de boerderij, want dan kwamen die kerels van het land naar de boerderij en begon hij een praatje met ze te maken: “Wor bende mee bizzig?”; ‘Hoe is’t met oe?”, etc. Na het bezoekje aan de boerderij ging hij op de terugweg naar huis vaak nog even bij Peer, aan de Albertlaan langs. Hij had dan nog wel eens – niet persé noodzakelijke maar wel goed bedoelde – op- of aanmerkingen over de moestuin van Peer. Tuinieren was sowieso de hobby van Frits.
Frits was een huismus en een echt familiemens en was trots op zijn kinderen. De gastvrijheid van zijn vrouw Lies zorgde ervoor dat het bij Huize De Louw een echte ‘zoete inval’ was. Iedereen voelde er zich thuis: er viel altijd wel wat kletsen of te kaarten (rikken) en Frits genoot daarvan.
In 1998, op 71-jarige leeftijd sterft de geboren en getogen Sterkselnaar Frits de Louw en komt er een einde aan een mooi leven van een mooi mens.
Opgetekend te Sterksel,
April 2022
FvB