De lotgevallen van Providentia
als zorginstelling tussen 1920 en 1960

Op deze pagina wordt verteld hoe Providentia zich vanaf 1920 heeft ontwikkeld als zorginstelling.
Bij het lezen van de teksten is het even wennen aan benamingen die in die tijd heel gewoon waren, zoals debielen, krankzinnigen, etc.
Bij het lezen is het eveneens van
belang te beseffen dat in die tijd geestelijken (en dus ook de broeders) niet gewend waren om aan externen verantwoording af te leggen. De enige door de broeders erkende, externe autoriteiten,
dus van buiten de
congregatie, waren in hun geval
de bisschoppen van Roermond en Den Bosch.
Het is dus van belang om
die context te begrijpen en om de situaties die zich hebben voorgedaan niet te bekijken door de bril van
onze moderne tijd.
Bij de start van Providentia in 1920 waren er nog maar weinig patiënten en daarom ook slechts enkele broeders die in de verpleging werkten. De meerderheid van de broeders had de handen vol om de aangekochte gronden te ontginnen, deels bouwrijp te maken en voor verreweg het grootste deel, geschikt te maken voor landbouw en veeteelt. Van de broeders die met de verpleging van de patiënten belast waren, had er niet een, een verpleegkundige opleiding genoten. Alle praktische kennis die zij hadden werd steeds aan elkaar, van oud op jong doorgegeven. Dat 'praktisch leren' begon al, wanneer een broeder die in de verpleging wilde gaan werken, het noviciaat in Heerlen volgde. Tot op zekere hoogte was dat effectief, maar wat ontbrak was een voldoende theoretische basiskennis zodat men ziekte-beelden konden begrijpen en zich ook nieuwe inzichten en technieken eigen kon maken.
Vanaf 1850 kwam de ontwikkeling van de geneeskunde op gang. Veel nieuwe ontdekkingen en uitvindingen; er kwamen meer (huis)artsen en medisch specialisten en meer ziekenhuizen. Ook wetenschappen als Psychologie en Sociologie kregen voet aan de grond. De in de 19e eeuw toegepaste natuurlijke geneeswijzen (planten, kruiden) werden na de eeuwwisseling geleidelijk aan vervangen door synthetische medicijnen waarvan Aspirine een van de eerste was. Parallel aan deze nieuwe feiten ontwikkelde zich de Verpleegkunde. De bekende Florence Nightingale wordt gezien als de grondlegster van dit vakgebied. Dankzij haar werd Verpleegkunde in 1878 een erkend beroep. [1] ‘Verpleegkundige' was in de negentiende eeuw een bijna 100% vrouwelijk beroep. Daar is vanaf de twintigste eeuw wel geleidelijk aan enige verandering in gekomen, maar er is nog altijd, ook op Kempenhaeghe, een oververtegenwoordiging van vrouwelijke zorgmedewerkers.
[1] Meer informatie over de geschiedenis van de Verpleegkunde vind je HIER

Florence
Nightingale

Het 'Zwarte Kruis'.
Het eerste onderscheidingsteken behorende bij de 'Verpleegkunde B-opleiding.
Dat de eerste broeders niet theoretisch geschoold waren is dus verklaarbaar omdat er in de negentiende eeuw nog nauwelijks mannelijke verpleegkundigen waren en dus logischerwijs alleen vrouwelijke studenten zich inschreven voor een verpleegkundige opleiding. Echter, vanaf 1920, het jaar dat broeders op Sterksel begonnen, hadden ze zich in kunnen schrijven voor de nieuwe, landelijk erkende opleiding 'Verpleegkunde B', het Zwarte Kruis. Het curriculum van deze opleiding op MBO-niveau bestond uit de volgende vakken: 'Ziekteleer en Psychiatrie' (hoofdvak), 'Anatomie en Fysiologie', 'Verpleegkunde en Verpleegtechniek', 'Psychologie en Sociologie', 'Observatieleer', 'Hygiene en Eerste Hulp (EHBO)', en 'Morele Vorming en Ethiek'. 'Epilepsie' maakte in die beginjaren nog geen deel uit van het curriculum. Pas veel later zou daar verandering in komen, waarover verderop meer.
De broeders hebben in de jaren twintig en dertig nooit prioriteit gegeven aan hun eigen opleiding. Het bestuur van de congregatie anticipeerde niet op het feit dat naarmate de medische wetenschap zich verder ontwikkelde, er ook steeds hogere eisen gesteld zouden gaan worden aan zorginstellingen als Providentia. De basis van die ontwikkeling werd gelegd in het midden van de 19e eeuw met nieuwe wetgeving.
In de Armenwet van 1854 was vastgelegd dat religieuze instellingen, zoals een congregatie van broeders of zusters, belast werden met de zorg voor armen en hulpbehoevenden. De overheid diende zich afzijdig te houden.
Al op 13 mei 1921 werd Providentia opgenomen op de lijst van instellingen van de Armenwet. Maar wanneer in de loop van de twintigste eeuw de medische kennis steeds verder tot ontwikkeling komt, komt er eveneens flankerende regelgeving in de vorm van nieuwe wetgeving, voorschriften, en dergelijke. Er komen handhavende instanties die toezicht gaan houden op de instellingen die op de lijst van de Armenwet staan. Ook Providentia zou daar - zo zou al snel blijken - regelmatig mee te maken krijgen, temeer omdat Providentia vanaf 1928 binnen de congregatie van de Broeders een categorale instelling werd. [2] Het 'categorale' betekende dat Providentia zich zou specialiseren in de behandeling van patiënten met epilepsie. Met ingang van 1928 werden deze patiënten van Huize St.Joseph in Heel naar Sterksel overgebracht..
[2] Zie BRON 10 blz 103
Vanaf de start in 1920 was er een huisarts op parttime basis verbonden aan Providentia. Dat was dokter Kwisthout, die in Heeze woonde en daar ook praktijk hield. Een aantal keren per week kwam hij naar Providentia om er spreekuur te houden. De medische kwalificaties van een huisarts waren feitelijk onvoldoende voor de functie van geneesheer-directeur van een instelling als Providentia. Die functie diende door een medisch specialist te worden ingevuld, bij voorkeur een zenuwarts [3] (de vroegere benaming van een ‘neuroloog’). Maar de beschikbaarheid van deze specialisten op de arbeidsmarkt zal in die tijd nog minimaal zijn geweest. Pas vanaf 1896 kregen vier universiteiten een leerstoel in de psychiatrie (en neurologie) [4].
[3} Zie BRON nr 8
[4] Zie BRON nr 9

Dokter Kwisthout

Op 17 maart 1933 wordt Providentia (op eigen verzoek) aangewezen als inrichting volgens het Krankzinnigenwezen. Deze aanwijzing werd officieel afgekondigd in het Staatsblad 106. De broeders hadden dit verzoek gedaan omdat deze erkenning als voordeel had dat de verpleging van armlastige krankzinnigen met overheidsgeld gefinancierd kon worden. Gemeenten konden gedwongen worden de verpleging van behoeftige krankzinnigen in een aangewezen inrichting te bekostigen. Daarbij moet wel worden aangetekend dat deze aanwijzing gepaard ging met een aantal dwingende voorwaarden. De eerste luidde als volgt: "Tot de inrichting wordt te allen tijde vrije toegang verleend aan de inspecteurs voor het Staatstoezicht op krankzinnigen en krankzinnigengestichten".
Toezicht, inspecteurs over de vloer: dat was geheel nieuw voor de broeders.
Hoe het ook zei: geen gekwalificeerde geneesheer-directeur en ook geen gedegen opgeleid medisch personeel: het maakte Providentia kwetsbaar.
Het bestuur van de broeders zag dat probleem niet, maar besturen van externe instanties, zoals Gemeentelijke Geneeskundige Diensten (GGD’s), Voogdijverenigingen en Raden van Kinderbescherming zagen het probleem wél. Dit waren allemaal instellingen die patiënten direct of indirect konden verwijzen naar Providentia en daarmee een stok achter de deur hadden. Daarbij kwam nog dat - zoals hierboven vermeld - de inspecteur van het ‘Toezicht op het Krankzinnigenwezen’ in Den Haag met enige regelmaat een bezoek bracht aan Providentia.
Vanaf de jaren dertig werd de druk van die instanties geleidelijk aan groter. Het aantal patiënten was toen al flink toegenomen, onder meer omdat er vanaf 1933 ook kinderen op Providentia kwamen wonen en omdat er, vanwege het categorale karakter van de instelling, regelmatig patiënten vanuit Heel naar Sterksel werden overgebracht. In de periode tot 1942 zou het aantal patiënten toenemen tot ruim 200.
Een van de eerste formele klachten kwam van Dr. W. Heijermans, directeur van de GGD in Amsterdam. In een brief
van 12 december 1930 liet hij weten dat ondanks het feit dat er door die organisatie recent nog een patiënt naar Providentia was verwezen, men de mate van professionaliteit in het Sterkselse gesticht als onvoldoende beoordeelde. Als er geen verbeteringen zouden komen, dan zou hij, de directeur, negatief adviseren over een eventuele tariefsverhoging die Providentia zou mogen gaan hanteren. Er moest meer en beter geschoold personeel op Providentia komen, evenals een medisch specialist als geneesheer-directeur. De broeders waren echter niet van plan om dokter Kwisthout zo maar aan de deur te zetten. Ze vonden dat de arts zijn werk goed deed, hij zette zich met hart en ziel in voor de patiënten en hij was een geliefd persoon.

Dokter Polet, geneesheer-directeur van de RPI Eindhoven
Hoe de broeders reageerden op de klachten
Omdat Heijermans zijn brief niet alleen naar het bestuur van broeders had gestuurd, maar ook naar de bisschop van Den Bosch, konden de broeders de klachten niet negeren en kwamen met drie maatregelen in actie.
Maatregel 1
Dokter Kwisthout werd in 1933 in fulltime dienst van Providentia aangenomen en beëindigde zijn praktijk in Heeze. Dit fulltime dienstverband was een noodzakelijke maatregel omdat er dat jaar voor het eerst kinderen op Providentia werden opgenomen. Het aantal patiënten was daarmee substantieel toegenomen.
Maatregel 2
De broeders vroegen dokter Polet, de toenmalige geneesheer-directeur van de RKS (Rijks Krankzinnigen Gesticht) in Woensel/Eindhoven om op Providentia een inspectie te houden en op basis daarvan te beoordelen in hoeverre het gesticht voldeed aan de eisen die men aan een dergelijke instelling mocht stellen.
Dokter Polet honoreerde dat verzoek. Hij bracht over zijn inspectie een handge-schreven verslag uit met een positieve teneur. Hij schrijft dat volgens hem de voorzieningen zoals huisvesting (inclusief de isoleercellen), recreatie, speelvoor-zieningen, mogelijkheden voor arbeidstherapie, maaltijden en dergelijke op orde zijn. Niettemin vermeldt hij ook dat hij de klachten van externe instanties begrijpt en ook hij dringt aan op een gedegen scholing van het verplegend personeel. En net als de externe instanties adviseert hij om een medisch specialist aan te trekken. Hij vermeldt erbij dat hij dokter Kwisthout met raad en daad wil bijstaan, zolang nog niet in die vacature is voorzien. Er is inderdaad met enige regelmaat contact tussen beiden geweest.
Maatregel 3, Eerste aanzet tot scholing
Dokter Kwisthout krijgt de opdracht om de broeders die in de verpleging werken theoretisch te scholen.
Hij heeft daar zeker werk van gemaakt, maar het was niet voldoende. Er was geen geaccordeerd lesprogramma en ook geen toetsing waaraan een erkend diploma was gekoppeld. En dan was er nog het regelmatig terugkerend probleem dat broeders die een cursus bij Kwisthout volgden, plotseling en zonder overleg, door het bestuur werden overgeplaatst naar andere huizen van de congregatie. Alle inzet van Dr.Kwisthout ten spijt: het scholingsexperiment werd geen succesverhaal.
Op 7 mei 1941 heeft dokter Kwisthout, op verzoek van de toenmalige overste van Providentia, broeder Cornelius, een brief geschreven waarmee hij de overste een overzicht geeft van zijn werkzaamheden op Providentia. "Omdat daar belangstelling voor schynt te bestaan", zo eindigt de eerste zin van het document. De overste had om deze brief gevraagd om zo aan externe instanties te kunnen laten zien dat er (onder andere) wel degelijk aandacht werd besteed aan de opleiding van de broeders die in de verpleging werkte. Het gedeelte van de brief van dokter Kwisthout dat over die opleiding gaat, luidt als volgt.

De broeders dachten dat met de hierboven beschreven maatregelen de kou wel uit de lucht zou zijn, maar als snel bleek dat niet zo te zijn, in tegendeel. De klachten over het reilen en zeilen op Providentia namen, naar mate de jaren dertig vorderde, alleen maar toe. Per saldo waren er vraagtekens over de kwaliteit van de zorg, zeker in vergelijking met soortgelijke instellingen elders in het land.
Naast de eerdergenoemde klachten was men evenmin te spreken over het feit dat de broeders zich niet hielden aan dwingende voorschriften. Zo was in het bovenvermeld Koninklijk Besluit van 17 maart 1933 vastgelegd dat er maximaal 140 patiënten op Providentia mochten worden opgenomen, maar bij een controle bleken het er 159 te zijn. De broeders kregen de opdracht dit aantal zo snel mogelijk af te bouwen tot de toegestane 140.
Vanwege het categorale karakter van de instelling zou men verwachten dat op Providentia alleen patiënten met epilepsie zouden worden opgenomen, maar de broeders negeerden die regel waardoor ook 'psychopaten' en 'achterlijke', 'demente' en zelfs ‘normale’ kinderen er een thuis vonden. Dat lag in die tijd gevoelig omdat medici vonden, (maar het was evenzeer de heersende maatschappelijke opvatting) dat de verschillende groepen uit elkaar moesten worden gehouden. " ‘Normale’ kinderen hoorden niet met epileptici geconfronteerd te worden”, zo vond men. Voor de broeders was dit een paradoxale situatie. Aan de ene kant vonden zij vanuit hun geloof en roeping, dat ook niet-epileptici zoals armen en gebrekkigen altijd een beroep op hen mochten doen en aan de andere kant kregen zij te maken met wet- en regelgeving die hen impliciet verboden hun roeping te volgen. De broeders, die niet gewend waren aan bemoeienis van externen, waren niet van zins om af te wijken van hetgeen zij volgens hun roeping meenden te moeten doen. Ze zeiden: "Wat is er op ons aan te merken? Wij doen ons best en alles is goed zoals het is".
Dokter Kwisthout had begin 1942 te kennen gegeven dat hij uiterlijk in november van dat jaar met pensioen zou gaan. De algemene overste in Heerlen, broeder Servatius, stelde zich in verbinding met dokter Koenen van het ‘Staatstoezicht op het Krankzinnigenwezen’ in Den Haag en vroeg hem of er in den lande wellicht een ervaren geneesheer-directeur beschikbaar was om Kwisthout op te volgen. Dat bleek zo te zijn. Koenen adviseerde ene dokter Van Meens, een psychiater uit Heiloo. De arts nam het directeurschap aan en kocht zelfs grond op Sterksel om er een woonhuis te bouwen. Reden genoeg om aan te nemen dat dokter Van Meens al snel in dienst zou treden, maar als een donderslag bij heldere hemel kwam het bericht dat de man plotseling was overleden.
Vervolgens werd besloten om een sollicitatiecommissie in te stellen en de sollicitatieprocedure leidde uiteindelijk tot benoeming van dokter Rutten.

De nog jonge
dokter Rutten
De klachten van de verschillende externe instanties namen begin jaren veertig zodanig toe dat voor de bisschoppen van Den Bosch (Arnold Diepen) en Roermond (Joseph Lemmens) de maat zo onderhand wel vol was. De spreekwoordelijke druppel was een rapport van Dr. Van Houte, inspecteur van het Buitengewoon Onderwijs, waar de school van Providentia onder viel. Hij spreekt in het rapport van een onhoudbare toestand en wijst het bestuur van de congregatie op het onverantwoordelijke, namelijk dat er op Providentia veel geneesbare patiënten zijn, die nu gevaar lopen heel hun leven ongelukkig te zijn, terwijl ze met deskundige behandeling zouden kunnen genezen.
Er volgende nog een tweede, uitgebreid en samenvattend rapport dat Van Houte opstelde met de bisschoppelijk adviseur, de zeer eerwaarde heer Van Gerwen. In dat rapport, gedateerd 10 november 1941 werd alle kritiek op het reilen en zeilen op Providentia samengevat. In 1939 hadden ook de heren H. Van Spanje en W. Murkoster van het Katholiek Verbond voor de Kinderbescherming afdeling Den Bosch, van zich laten horen. Van Spanje schreef een brief aan het hoofdbestuur van de congregatie in Heerlen en vroeg daarin om hem en Murkoster te willen ontvangen in Heerlen op zaterdag 25 februari 1939, zodat zij in een open gesprek de toestand op Providentia met het hoofdbestuur zouden kunnen bespreken. Van dat onderhoud is niets terecht gekomen. Op de brief van Van Spanje staat geschreven 'niet op ingegaan'. Het tweetal restte niets anders meer dan contact op te nemen met de vicarissen van het bisdommen Den Bosch en Roermond.

Arnold Diepen
bisschop van Den Bosch
1919 - 1943

Joseph Lemmens
Bisschop van Roermond
1932 - 1958
De bisschoppen grepen in en dwongen de broeders om orde op zaken te stellen. Er kwam een interventie: begin 1942 (midden in de oorlog) werd een adviescommissie ingesteld. De broeders vonden het maar niks. Voor hen was de komst van zo'n orgaan niets minder dan een aantasting van hun autonomie. In de commissie zaten vijf externe deskundigen met een medische en/of bestuurlijke achtergrond. Daarnaast maakten de algemene overste uit Heerlen en de huisoverste van Providentia deel uit van het gezelschap. Dokter Rutten was ambtshalve, adviserend agendalid.
De eerste vergadering vond plaats op woensdag 15 april 1942.
De goede intenties van de bisschoppen ten spijt: veel impact heeft de commissie niet gehad. Men had verzuimd om duidelijk vast te leggen welke feitelijke bevoegdheden de commissie had. In de praktijk kwam het er op neer dat de broeders de adviezen als vrijblijvend en als niet-bindend beschouwden en er zich daarom niet al te veel van aantrokken. Soms nam het bestuur van de broeders zelfs al een besluit over een kwestie, nog voordat het onderwerp in de commissie was besproken. Dat leidde dan weer tot chagrijn bij de overige, externe commissieleden.
Vanwege de oorlogssituatie kon het gezelschap bijna niet vergaderen en mede daardoor ook geen vuist maken.
Na de oorlog wilde de commissie Providentia uitbouwen tot een modern instituut dat zou kunnen concurreren met huizen als 'Meer en Bosch' in Heemstede en 'Bestede Serepta' in Haarlem. Daartoe was de commissie immers in het leven geroepen. Om dit doel te bereiken was het nodig dat deskundigen, mensen die stuk voor stuk op hun terrein de meerderen waren van de broeders, het voor het zeggen zouden krijgen. Maar het bestuur van de congregatie wilde daar niets van weten. Men vond dat de huisoverste van Providentia bekwaam genoeg was en het bestuur vond dat van zichzelf ook. Er werd veel over en weer gepraat tussen het bestuur en de commissie, maar men kwam geen stap verder. Uiteindelijk bloedde de commissie dood.
Vanaf 1946, na de voor hem zeer zware oorlogsjaren, kon dokter Rutten eindelijk beginnen aan de noodzakelijke, medische ontwikkeling van Huize Providentia. Hij ging daarbij voortvarend te werk. Hij was ervan doordrongen dat Providentia een slechte naam had als zorginstelling en hij vond het zijn taak als geneesheer-directeur om ervoor te zorgen dat die beeldvorming zo snel mogelijk zou veranderen. De professionalisering van de inrichting en de opleiding van het personeel golden voor hem als twee belangrijke prioriteiten. Hij zorgde er al snel voor dat er een laboratorium en medisch instrumentarium - bovenal een röntgenapparaat - op Providentia kwamen. Hij gaf aan de opleiding van de broeders en de leken-verpleegkundigen een sterke impuls. Hij ontwikkelde een variant van de bestaande, driejarige parttime opleiding 'verpleegkunde B'. In die Ruttense variant kwamen er twee lesjaren bij waarbij 'Epilepsie' als tweede hoofdvak in het curriculum werd opgenomen. Het eerste en het tweede jaar deed de student dubbel. In jaar 1a en 2a stond Psychiatrie centraal en in 1b en 2b was dat Epilepsie. Voor het laatste jaar van deze dus vijfjarige opleiding, werd de student bij een andere organisatie gedetacheerd om daar weer andere, nieuwe ervaringen op te doen. De Ruttense variant bleek een zodanig groot succes dat Huize Providentia een erkend opleidingsinstituut voor het diploma Verpleegkunde B werd.
Broeder Ambrosius woonde en werkte van 1956 tot 1961 op Providentia en volgde in die jaren genoemde Verpleegkunde B-opleiding. Hij weet nog dat er elk studiejaar verschillende proefwerken moesten worden gemaakt. Ook vonden er praktijktoetsen plaats: zowel op de polikliniek van dokter Rutten als op de eigen afdeling van de student, onder begeleiding van het afdelingshoofd. Hoewel men in die tijd deze term nog niet kende, was de verpleegkunde B-opleiding feitelijk een duale opleiding. De geleerde theorieën konden meteen in de praktijk worden toegepast. Dit type onderwijs is juist vanwege die combinatie altijd bijzonder succesvol geweest.
De broeders en het lekenpersoneel die in de verpleging wilden werken, werden verplicht om de opleiding te volgen. Ook novicen die bestemd waren om in de verpleging te gaan werken, werden zo snel mogelijk naar Sterksel overgeplaatst. De deelnemers van Providentia volgden het laatste jaar van de opleiding meestal bij Huize Voorburg in Vught en soms bij de toenmalige Rijks Psychiatrische inrichting (RPI) in Woensel, Eindhoven. Zo kwamen er steeds meer goed opgeleide verpleegkundigen op Providentia, hetgeen de professionaliteit van de organisatie zeer ten goede kwam. In de laatste decennia van de vorige eeuw zijn in Nederland de verpleegkundige opleidingen opgenomen in het reguliere MBO- en HBO-onderwijs.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren er nog altijd enkele broeders op Providentia die in de verpleging werkten, maar geen verpleegkundige opleiding hadden gevolgd. Zij hadden een aangepast takenpakket. Dokter Rutten heeft deze broeders altijd de hand boven het hoofd gehouden. Dat dat zo was bleek bijvoorbeeld toen Ad Bergmans in 1969 succesvol solliciteerde naar de functie van 'afdelingshoofd'.
Bij de start van zijn dienstverband had hij een gesprek met dokter Rutten die hem zei: "Ik vind het van groot belang dat u het volgende weet. Op uw afdeling werken twee broeders die niet in het vak zijn opgeleid, maar ze doen waardevol en belangrijk werk. Ik verwacht van u dat u deze broeders in ere houdt". Ad gaf een mooi, diplomatiek antwoord: "Ik ben een mild mens. U hoeft zich daar geen zorgen over te maken".
07-26
FvB