Tom van de Voort 3-26

HET VERHAAL VAN HET KWARTAAL

(juli 2026)

Begin 2023 kreeg ik een tip om eens een gesprek aan te knopen met Tom van de Voort. Een man die op Sterksel woont maar afkomstig is uit Someren en als puberende jongen zo’n vijf jaar doorbracht op de toenmalige kinderafdeling van Providentia aan de Spechtenlaan. Ik zocht hem op en al snel werd me duidelijk dat Tom heel wat herinneringen had aan die bewuste periode en dat hij zijn verhaal ook graag wilde vertellen. Toen hij daarmee bezig was viel me op dat in die tijd,

de jaren zestig, 

de patiënten vaak geconditioneerd werden met belonen en straffen.

Tom heeft daar meerdere voorbeelden van gegeven. Opvallend: Tom begreep vaak dat hij ergens voor gestraft werd en had daar dan ook geen problemen mee. Maar als de straf volgens hem niet terecht was, dan liet hij niet over zich lopen.

Tom heeft vaak

geprobeerd om

er vandoor te gaan.

Hij wilde weg bij Providentia.,

 want ondanks de vele vriendschappen-voor-het-leven die hij sloot, was hij als een gekooide vogel.

Eindelijk, in 1971 was het eindelijk zover: hij kon Providentia voorgoed verlaten.


In juli 2023 stond zijn levensverhaal in grote lijnen op papier.  En wat heb ik genoten van de gesprekken met hem.

Ik heb gelachen om zijn deugnieterijen, maar bovenal heb ik Tom leren kennen als een goudeerlijke man, met humor en een sterk gevoel voor rechtvaardigheid. 

Ook zíj́n verhaal vertelt hoe groot de impact van de epileptische aandoening op iemands leven is.

Het verhaal van Sterkselnaar

TOM VAN DE VOORT

geboren: 3 mei 1956

woonde op Providentia van 1966 tot 1971

Tom, met zijn afdeling op vakantie in Groet (NH). Deze foto werd gemaakt op het moment dat een wond aan zijn knie werd verzorgd door een verpleegkundige. De pet die Tom op heeft, had hij van het hoofd van de verpleegkundige getrokken en eventjes ‘geleend’.

Tom werd geboren in Someren als derde telg in een gezin van zes kinderen. Toen hij acht jaar was kreeg hij voor het eerst een epileptische aanval en dat gebeurde op de kermis in Someren.  Hij voelde de aanval totaal niet aankomen; ineens lag hij bewusteloos op de grond en gelukkig waren zijn ouders snel ter plekke. De jongen had zijn tong kapotgebeten en toen hij weer bij zijn positieven was, had hij ontzettende hoofdpijn.

De huisarts onderzocht Tom en vermoedde dat er sprake was van epilepsie. Hij stuurde hem door naar het ziekenhuis, waar een EEG van zijn hersenen werd gemaakt en die bevestigde de diagnose van de huisarts: Tom leed inderdaad aan epilepsie. Hij was overigens niet de enige in het gezin, want ook een van zijn zussen leed aan de aandoening, zij het in veel minder ernstige mate. Iedere keer als Tom een aanval had gehad, ging dat gepaard met een stekende hoofdpijn. Hij was er echt ziek van en soms moest er een spuit worden gezet om hem uit een aanval te krijgen.

Er zou een moeilijke tijd voor de jongen aanbreken. Hij kreeg veelvuldig aanvallen en slikte na verloop van tijd zo’n twintig medicijnen per dag.

De pester en de gepeste

Het was voor Tom extra pijnlijk dat de epileptische aanvallen ertoe leidden dat hij op school vaak werd gepest: “Hee, daar hebben we onze flauwvaller weer!” en dat soort hatelijke opmerkingen. Tom, die geen gemakkelijke jongen was, draaide dan wel eens door en werd meerdere keren bij de directeur op het matje geroepen. Voor straf moest hij dan een tijd lang op zijn knieën zitten. Tom kreeg straf; niet de pesters, zo ging dat. Toen hij tien jaar was kon men hem niet meer op school handhaven en ook thuis vonden zijn ouders het beter wanneer Tom in het vlakbij gelegen Providentia in Sterksel zou worden opgenomen.

Voordat het zover was ging Tom met zijn vader nog op bezoek bij enkele familieleden om daar te vertellen dat zijn zoon naar Providentia zou gaan en daarom afscheid kwam nemen. Toen ze op een keer op het punt stonden om per fiets zo’n bezoekje bij een tante te gaan afleggen, ging Tom de fietssleuteltjes pakken die in de keuken bovenop de schouw van de kachel lagen. Hij klom op het aanrecht, reikte uit naar de sleuteltjes en kreeg net op dat moment een aanval en viel met zijn gezicht boven op de kachel. Gelukkig stond zijn vader erbij die hem meteen kon oppakken, waardoor hij slechts enkele lichte brandwonden had opgelopen. Het bezoek aan de tante kon gewoon doorgaan. 

Schiermonnikoog

Voordat Tom naar Providentia ging vond men het verstandig dat hij eerst nog maar eens zes weken naar een vakantieoord voor moeilijk opvoedbare kinderen op Schiermonnikoog zou gaan, om daar tot rust te komen en wat aan te sterken. Het werd een onvergetelijke tijd. Het was winter en het had gesneeuwd. Tom ging met een slee de duinen af en genoot alsof hij op wintersport was. Hij verstopte de slee stiekem in de duinen zodat anderen zijn speeltuig niet zomaar konden inpikken.

Hij had graag op het prachtige waddeneiland willen blijven en vond het dan ook maar niks dat hij na die zes weken weer naar huis moest. Aansluitend zou hij voor eenzelfde periode naar een vergelijkbaar vakantieoord in Egmond aan Zee gaan, maar daar is hij uiteindelijk maar een paar dagen gebleven omdat men daar niet met hem verder wilde. Tom zat daar gewoonweg niet goed in zijn vel en in zo’n toestand reageerde hij vaak agressief. 

Winter op 'Schier' 

Kinderafdeling Spechtenlaan

copyright Aviodrome



De kinderafdeling van Providentia

Al vanaf dat hij acht jaar oud was, rookte Tom. Toen hij zich in 1966 als tienjarige jongen meldde op Providentia werd hij naar de kinderafdeling aan de Spechtenlaan gebracht en daar moest hij meteen zijn broekzakken leegmaken. Dat leverde een oogst op van drie of vier pakjes sigaretten. Hij was natuurlijk ook veel te jong om (zoveel) te roken, maar gelukkig heeft het stoppen hem niet echt veel moeite gekost.

Tom zou tot 1971 op Providentia blijven.


Op Providentia woonde Tom samen met andere jongens die net als hij, leden aan de aandoening epilepsie. Tom heeft vaak meegemaakt dat zijn huisgenoten een aanval kregen. Aan de keren dat hem dat zelf overkwam heeft hij geen herinneringen. "Ik was meestal helemaal van de kaart wanneer ik een aanval kreeg', weet hij nog. Op de afdeling was er een aparte kamer waar jongens die een aanval hadden gekregen, door een broeder of een personeelslid naartoe werden gebracht en verzorgd.


Een van de broeders die Tom altijd is bijgebleven is broeder Dominicus: een hele aardige, vriendelijke man. Ook kon hij goed opschieten met ‘Tante Toos’, die op de Vlaamseweg woonde en met Piet van Moorten uit Heeze, het hoofd van Toms afdeling. Het waren mensen bij wie hij altijd kon aankloppen als er iets was en dat was voor Tom heel belangrijk. Ook later, toen hij volwassen was heeft Tom nog lange tijd contact onderhouden met Piet, die in 2022 overleed. Daarnaast kent hij nog het hoofd van de kinderafdeling, Wim Boudewijns, die ook uit Someren kwam en Leo van Bussel uit Asten.

Beperkte vrijheid

Een van de dingen die Tom vervelend vond was dat je vrijheid op Providentia behoorlijk aan banden lag. Er waren veel huisregels waar je je aan te houden had en je kon niet zomaar gaan en staan waar je wilde. Tom was helemaal gek van muziek en had een kleine transistorradio. Wanneer hij nieuwe batterijen nodig had en die in het dorp wilde gaan kopen, moest hij eerst toestemming gaan vragen en als hij die kreeg moest er altijd iemand mee, bang als men was (en niet geheel ten onrechte) dat de jongen er vandoor zou gaan.

Dagindeling

In grote lijnen kan Tom zich nog goed herinneren hoe een normale wekelijkse dag er uitzag in de tijd dat hij op Providentia was.

  • De jongens sliepen met vieren op een slaapkamer. Om 7 uur: Opstaan, wassen, aankleden en medicijnen innemen. Er werd op toegezien dat die medicijnen ook daadwerkelijk naar binnen werden gewerkt.
  • Na het ontbijt moest er huishoudelijk werk worden gedaan, waarmee punten konden worden verdiend. Hoe zorgvul-diger er gestofzuigd en afgestoft werd, hoe meer punten dat opleverde en aan het eind van de week kreeg je, naar rato van het aantal gescoorde punten, snoep. Tom poetste er flink op los, want hij was een echte zoetekauw.

Toms geliefde popgroep 'Golden Earring'

Misschien wel hun grootste hit

  • Daarna gingen de jongens naar school, aan de andere kant van de Albertlaan; de Titus Brandsmaschool. Terugkijkend op die tijd vindt Tom dat hij er niet veel heeft geleerd. Dat lag vooral aan hemzelf, want hij hield er niet van om achter de boeken te zitten. Hij wilde graag praktisch bezig zijn en wat hij het leukst vond om te doen waren werkjes zoals het in elkaar zetten van vogelkooitjes of het vlechten van kokosmatten.
  • Tussen de middag werd er op de afdeling warm gegeten. Het eten werd met een soort treintje-op-wielen vanuit de keuken van het klooster naar de afdeling gebracht.
  • Na de middagmaaltijd gingen de jongens weer terug naar school, tot half vier.
  • Daarna was er een periode van vrije tijd, die Tom graag doorbracht met plaatjes draaien. Hij was in die tijd vooral fan van de Haagse popgroep The Golden Earring. Wanneer zijn ouders op bezoek kwamen (en dat was meestal tweewekelijks) namen ze altijd wel een singeltje voor hem mee.
  • Uiteraard was er nog een avondmaaltijd en tussen acht en negen uur was het voor alle jongens bedtijd.

Toms speciale “welkom aan nieuwelingen”

Als er een nieuwe bewoner kwam werd dat ‘s morgens door het afdelingshoofd aangekondigd. Tom verheugde zich daar dan op want als hij ’s middags van school kwam en terug op de afdeling was, wachtte hij een moment af waarop de leiding even niet keek, liep dan op de nieuweling af en gaf hem ter kennismaking een mep in het gezicht. Het was een typische gewoonte van Tom, “maar”, zo zegt hij: “dan wist zo iemand meteen wat hij aan me had”. Het was wel wonderlijk dat Tom nooit met gelijke munt werd betaald. Hoe zat dat? Tom was in die tijd maar een klein, iel ventje. Als zo'n kereltje op je af komt is wel het laatste wat je verwacht dat die jou een lel gaat verkopen. De 'slachtoffers', voor wie zo'n eerste kennismakingsdag sowieso al spannend was, waren  te verbouwereerd om te reageren, temeer omdat Tom er zelf bij stond te lachen.  Hij kwam er altijd mee weg...

Op een dag kondigde het afdelingshoofd Piet van Moorten, weer een nieuwe jongen aan (Ruud), maar toen Tom

’s middags op de afdeling kwam zag hij in eerste instantie niemand staan. Toen Tom vroeg waar de nieuweling was, wees Piet naar Ruud, een opgeschoten jongen uit Delft. Daar had kereltje Tom helemaal niet op gerekend. Toen Piet even met iets anders bezig was, rechtte Tom zijn rug, liep op nieuweling Ruud af en verkocht hem een flinke klap. Consequent was hij dus wel, die Tom. Ook Ruud was, net als de andere lotgenoten, te verbouwereerd om iets terug te doen. “Het was altijd wel een eenmalig gebeuren” zegt Tom daar nu nog over: “Zo’n kennismaking was even wennen voor zo’n jongen, maar daarna waren we meestal de dikste vrienden”. En inderdaad: Tom en Ruud, samen met Freddie Hummel uit Arnhem, werden onafscheidelijke maatjes.

Een kanttekening: de andere jongens moesten wel van Toms spullen afblijven, vooral van zijn grammofoonplaten. Deed je dat toch, dan kreeg je onherroepelijk een pak slaag.

Straffen

Als je overdag kattenkwaad had uitgehaald, kon je ’s avonds zonder eten meteen naar bed. Ook op het niet willen eten wat de pot schaft, stond deze sanctie. Zo lustte Tom absoluut geen witlof. Toen dat op een dag op het menu stond, weigerde hij de groente op te eten. Zijn portie witlof werd door iemand van de leiding in de koelkast gezet, waarbij Tom te horen kreeg dat hij na school de witlof alsnog diende op te eten. Toen het dan zover was en de groente voor zijn neus werd gezet, pakte hij het bord op en kieperde dat met witlof en al in een vuilnisbak. Hij kon meteen zijn bed gaan opzoeken.


Zo was er op een andere keer iets te doen in de kantine van de kinderafdeling en tijdens de pauze werden er slaatjes rondgedeeld. Toen Tom zijn portie op had zag hij dat er op een karretje nog enkele slaatjes stonden. Hij kon de verleiding niet weerstaan en pikte er eentje, maar dat was door een personeelslid gezien. Het was die avond weer vroeg bedtijd voor Tom.

Een boefje was hij ook wel: tijdens het middageten zat hij regelmatig aan tafel bij een jongen uit Venlo, die hij – zo zegt hij achteraf – niet zo graag mocht. Op een keer vroeg hij aan de knaap: ‘Wat zit er daar in jouw yoghurt?” De jongen boog voorover om te kijken wat erin zat, waarop Tom hem met zijn snufferd in de yoghurt duwde. Dat betekende onherroepelijk weer een avondje vroeg naar bed.

Tom vindt dat hij per saldo best vaak straf heeft gekregen, maar zegt erbij dat dat meestal ook wel terecht was en daarom accepteerde hij zo’n sanctie, zeker als die werd opgelegd door mensen die hij graag mocht, zoals Piet van Moorten. Hij deed daar niet moeilijk over. [1]


[1] Evenals de foto die bij het begin van dit verhaal is afgebeeld, is ook deze foto genomen tijdens een vakantie op een groepsaccomodatie in Groet, een plaatsje vlakbij Bergen in Noord-Holland. Van deze accommodatie werd door afdelingen van Providentia vaak gebruik gemaakt.

Meester Frissen en de wc-rol

In de Titus Brandsmaschool was er een grote hal waar de kinderen niet met hun schoenen op mochten lopen. Er waren tegen de muren kleine portaaltjes waar zij hun schoeisel neer konden zetten. Vlakbij waren er toiletten en toen Tom op een bepaald moment, nadat hij zijn schoenen had uitgedaan op een van de wc’s zat, werd er een toiletrol boven over zijn deur naar binnen gegooid. Tom wachtte een tijdje waarna hij het ding oppakte en teruggooide. Toen hij van de wc afkwam stond het hoofd van de school, meester Frissen bij de wasbak waarin de toiletrol was beland. Tom liep naar de deur van de hal maar Frissen riep hem: “Van de Voort, terugkomen!” Tom draaide zich om en zei: “Als je mij wilt hebben, dan kom je me maar halen” en hij liep gewoon door. Frissen volgde hem en bleef roepen dat Tom moest blijven staan. Die was inmiddels bij de plek aangekomen waar de schoenen stonden, pakte er een op en zei tegen Frissen: “Als je dichterbij komt dan gooi ik die schoen tegen je kop!”. Frissen liep door en Tom gooide de schoen.

’s Middags na school stond meester Frissen Tom op te wachten, die voor straf de rest van de middag op het kantoor van de directeur op zijn knieën moest zitten.

Isoleercel

Niet alleen in het klooster, maar ook op de kinderafdeling waren er isoleercellen. Tom heeft er nogal eens tijd in doorgebracht. In zo’n cel stonden slechts een bed en een stoel. Roepen of schreeuwen had geen zin; men hoorde je niet. Er was geen wc in de isoleerruimte dus als je je behoefte moest doen, moest je wachten tot er iemand kwam. Maar ja, als je heel nodig moest…. dan maar in een hoek. Tom zat er niet mee.

 

Bidden “op een laag pitje”

Iedere zondag liepen de jongens naar de kapel bij het hoofdgebouw om daar de mis bij te wonen. Tom wist dat dat erbij hoorde maar hij vond er niet veel aan. Ook bij de maaltijden werd er een beetje gebeden, maar in zijn beleving stelde dat allemaal niet veel voor.

Weglopen is ook een kunst 

Tom heeft in de latere jaren dat hij op Providentia woonde, heel wat keren geprobeerd om weg te lopen. Als hij er tussenuit kneep, nam hij vaak zijn transistorradiootje mee. (Hij weet nog dat het radiootje aan de voorzijde een draaischijfje had waarmee je de zenders kon kiezen.) Op een keer was hij het bos in gevlucht en had zich tussen de bomen en de struiken verstopt. Ineens stond afdelingsleider Piet van Moorten voor zijn neus. “Hoe heb jij mij kunnen vinden?”, vroeg Tom die verbouwereerd was over de snelle ontdekking. “Ja snuggere, dat krijg je als jij je radio aan hebt staan”, antwoordde Piet laconiek.

Een ander keertje, toen hij het weer beu was op Providentia, had Tom ’s avonds in het donker zijn fiets gepakt en wilde naar huis, naar zijn ouders in Someren. Hij begaf zich op weg naar de Somerenseweg en iedere keer als hij een auto aan hoorde komen gooide hij zijn fiets in de sloot en sprong er zelf achteraan. Als het voertuig voorbij was klauterde Tom weer op zijn fiets en reed verder. En zo ging dat een tijdje door totdat hij bijna thuis was en achteromkijkend een auto aan zag komen die hem niet bekend voorkwam. Tom koos ervoor om toch maar door te rijden, maar – dat zul je altijd zien – het was de verkeerde keuze want het bleek een auto van Providentia te zijn waarin drie personeelsleden zaten die naar hem op zoek waren. Fiets en Tom werden ingeladen en in geen tijd was het gezelschap weer terug op de kinderafdeling.

Per saldo waren de vluchtpogingen van Tom vooral signalen dat hij echt weg wilde van Providentia en dat gebeurde ook in 1971.

Vrienden op Providentia

Tom vormde samen met een aantal andere jongens die op Providentia verbleven een hechte vriendenclub. Niet gek natuurlijk, want ze hadden allemaal de epileptische aandoening en gingen de hele dag met elkaar om. Dat gaf een speciale band.

Tom heeft nog verschillende foto’s van zijn vrienden bewaard en laat die, bijna liefdevol zien.

Bij iedere foto weet hij nog de naam van de jongen: Gerard, Felix, Harrie, Ruud, Ronald, Alfons en Rob. Het geeft maar aan hoeveel ze voor Tom betekenden. Met een van hen, Rob Klingenstein, heeft Tom nog altijd contact.

Toms leven na Providentia

In 1971, toen Tom vijftien jaar was verliet hij definitief Providentia. Hij wilde graag tegelzetter worden en ging naar een school in Helmond om een beroepsopleiding te gaan volgen. Een leerkracht van de school zei op een bepaald moment tegen hem dat hij vond dat ‘metaalbewerker’ toch een geschikter beroep voor hem zou zijn, maar Tom, eigenzinnig als hij was, had daar helemaal geen oren naar. Hij pakte zijn spullen, liep het kantoor van de schooldirecteur binnen en ledigde zijn tas met boeken op diens bureau. “Ik wil tegelzetter worden en geen metaalbewerker”, maakte hij de man duidelijk, waarna hij vertrok, de directeur verbouwereerd achterlatend. 

Thuisgekomen keek Toms moeder vreemd op: “Wat doe jij hier, zo vroeg al thuis?” Tom vertelde wat er was voorgevallen waarop zijn moeder hem te verstaan gaf dat hij niet moest denken dat hij zo maar thuis kon blijven. Er was maar één oplossing: aan het werk, maar niet, zoals je zou verwachten als tegelzetter maar als stratenmaker. Om tegelzetter te worden moest je nu eenmaal een beroepsopleiding gevolgd hebben en Tom wist dat hij niet terug naar de schoolbanken wilde. Hij vond een baan als stratenmaker en zou in dat vak bijna twintig jaar aan de slag blijven, totdat rugklachten hem zodanig parten speelde, dat hij op zoek moest naar ander werk.

De geur van asfalt

Toms vader, die zelf bij een asfalteringsbedrijf had gewerkt, had al vaak tegen zijn zoon gezegd dat hij ook maar ‘in het asfalt’ moest gaan werken want hij vond stratenmaker een veel te zwaar beroep. Op een bepaald moment solliciteerde Tom bij het bedrijf waar zijn vader in dienst was geweest en hij werd meteen aangenomen. Toen Tom dat aan zijn vader vertelde was die heel blij met dit nieuws. Korte tijd later stierf vader, alsof hij op dat goede nieuws had gewacht. Tom zou dat nooit vergeten.

Tom zou nog dertig jaar met veel plezier in zijn nieuwe werkomgeving aan de slag blijven. “De geur van asfalt mis ik nog steeds”, zegt hij spontaan.

De laatste drie jaren van zijn loopbaan werkte Tom alleen ’s nachts en dat betaalde behoorlijk goed. “Daar heb ik dit huis van kunnen bouwen”, glundert hij.

Tom vindt de liefde van zijn leven

Tom leerde zijn latere vrouw Marianne Geerings kennen in het café bij de blokhut in Heeze. Wat Tom betreft was het liefde op het eerste gezicht, want al die eerste avond – hij kende haar pas twee uurtjes – wist hij het al zeker en zei tegen haar: “Met jou ga ik trouwen!”. Desgevraagd weet Marianne nog dat bij haar de vonk niet meteen was overgeslagen. Zo snel ging dat niet. Maar Tom pakte door en de volgende zondag ging hij met de trein naar Eindhoven, Mariannes woonplaats, en wachtte haar op, op het station. Ze kwam eerst niet opdagen, maar na een telefoontje van Tom naar haar thuis, kwam het toch nog in orde. Enfin; er volgende een verkeringstijd van ongeveer 8 maanden en in 1977 trouwde het stel.

Bij Tom in de keuken

Een “GROLSCH-fanaat”

Ieder zijn hobby en Tom heeft wel een hele bijzondere: hij spaart alles wat er te krijgen valt van het Twentse biermerk ‘Grolsch’. Zijn fascinatie begon op het moment dat hij in een winkel bij een pakketje Grolschbier (een sixpack of iets vergelijkbaars) enkele bierglazen cadeau kreeg. Al snel volgde beursbezoeken en samen met zijn zwager, de broer van Toms vrouw, is hij lid geworden van het gilde. Je kunt in het huis van Tom niet om zijn hobby heen: overal zijn er snuisterijen die het biermerk voor het voetlicht brengen. Tom vindt het een vorm van (gezonde) verslaving om steeds weer nieuwe voorwerpen – in welke vorm dan ook – van Grolsch te verzamelen. Daar komt voorlopig ook geen einde aan.

Het einde van de loopbaan

Tom kijkt met een goed gevoel terug op zijn loopbaan, ondanks dat vijftig jaar fysiek werk wel zijn tol heeft geëist, zoals versleten rugwervels, een kapotte knie en een nekvernauwing als gevolg van dat jarenlange buitenwerk in weer en wind.

Hij heeft veel plezier gehad met zijn collega’s. Sommigen zeiden wel eens tegen hem: “Tom, gij spoort helemaal nie!”, waarop Tom dan antwoordde: “Komde daar nou pas achter?!”

Maar toch: Het leven is voor Tom vanwege zijn epilepsie en zijn karakter, niet altijd gemakkelijk geweest. Hij is een mens die zegt wat hem op het hart ligt. Hij verdraagt geen onrecht en neemt geen blad voor de mond. Een eerlijk mens in hart en nieren, die nu samen met zijn vrouw Marianne volop van zijn pensioen geniet.

Bedankt voor je openhartigheid Tom!

 

Sterksel, mei/juni 2023

FvB

Naschrift:

Tijdens een van de gesprekken met Tom liet ik hem een foto zien van Peter Kanters, die in de tijd dat Tom op Providentia was, als verpleegkundige op de kinderafdeling werkte. Ook van Peter hebben we het verhaal van zijn loopbaan mogen optekenen. Tom herkende hem meteen. Ik belde Peter op en vroeg hem of de naam Tom van de Voort misschien een belletje deed rinkelen. En dat was zo; niet alleen bij hem, maar ook bij zijn vrouw Conny die in die tijd eveneens op kinderafdeling werkte. Peter liet weten dat hij en Conny graag met Tom in contact zouden willen komen. Er volgde een telefoontje en er werd een afspraak gemaakt voor een bezoek bij Tom en Marianne. Oude herinneringen konden worden opgehaald!


Privacy beleid

OK