De congregatie van de Broeders van de Heilige Joseph, het bestuur van de congregatie en het ontstaan van
Huize Providentia
In 1878 stichtte Mgr. P.J. Savelberg uit Heerlen deze congregatie. Heerlen werd tevens de hoofdvestiging. Zie foto.

Mgr. Savelberg

De broeders van Huize Providentia in de jaren 30


Mgr. Petrus Joseph Savelberg (1827 - 1907): stichter van twee congregaties
Sinds de invoering van de 'Armenwet' van 1854 werd de zorg in Nederland formeel het terrein van kerkelijke en enkele particuliere instellingen. Het was de tijd van de Industriële Revolutie en Mgr Savelberg zag in Limburg de grote nood onder armen, zieken en hulpbehoevenden, vooral bij specifieke groepen en besloot twee congregaties op te richten met de volgende doelstelling:
"Het verrichten van werken van naastenliefde, waarin tot nu toe minder was voorzien: verzorging van arme mannen, wezen en verwaarloosde kinderen in het bijzonder van zenuwlijders en epileptici."
De titel 'Monseigneur' (Mgr) is binnen de katholieke kerk in principe voorbehouden aan bisschoppen. Soms mag een priester, als blijk van waardering voor zijn grote verdiensten, de titel dragen als eretitel. Die eer viel te beurt aan Mgr. Savelberg en aan diens opvolger Mgr. Driessen.
Als eerste richtte Savelberg in 1872 een vrouwelijke congregatie op, namelijk de 'Kleine zusters van de Heilige Joseph". Dat 'kleine' was een synoniem voor 'nederigheid' en 'eenvoud'. Twee jaar later in 1874 volgde de 'Congregatie van de Broeders van de Heilige Joseph'.
Iedere congregatie valt onder het bisschoppelijk recht van het bisdom waarin de congregatie is gevestigd. In december 1907 keurde de Roermondse bisschop Drehmanns, de constituties van de congregaties goed.
Het eerste huis van de congregatie, het moederhuis, bevond zich in Heerlen en werd geopend in 1892. Daarna volgden de huizen in Heel (Huize St. Joseph 1909), Sterksel (Huize Providentia 1920), Helden Koningslust (Huize Koningslust 1937) en Helden Panningen (Huize Savelberg 1938).
De vrouwelijke tak (de kleine zusters) [1] en de mannelijke (de broeders) waren afzonderlijke stichtingen maar maakten deel uit van dezelfde organisatie. Omdat beide stichtingen zich volledig gescheiden van elkaar ontwikkelden werd die scheiding in 1933 geformaliseerd. Ze gingen als twee zelfstandige organisaties (verenigingen) verder.
In de twintigste eeuw zou blijken dat de Kleine Zusters bijzonder succesvol waren. Ze genoten veel bekendheid omdat ze zich kleinschalig, in vele steden en gemeenten in Nederland en België hadden gevestigd. Zo waren er heel wat zusters van de congregatie werkzaam in het voormalige St. Josephziekenhuis in Eindhoven.
Ze hadden zich daar onmisbaar gemaakt.
[1]: zie bron 5: blz 17 , 129 ev

De nonnen werkten ook in de buitenlandse missie: China, Indonesië en Kenia. Bovendien waren ze, anders dan de broeders, niet alleen actief in de gezondheidszorg, maar ook in het onderwijs en in de facilitaire dienstverlening.
De congregatie 'Kleine zusters van de Heilige Joseph' werd in de loop der jaren met een aantal van 3000 nonnen de op een na grootste congregatie van Nederland, na de 'Zusters van Liefde' uit Tilburg.

Broeder Irenaeus;
een op Providentia zeer geliefde broeder. Hij was muzikaal en onder meer de dirigent van het koor en het trommelkorps .
Hoe werd je broeder?
Wanneer iemand zich meldde bij de congregatie om broeder te worden, werd vanaf het begin van de vorige eeuw eerst gekeken naar de vooropleiding van de jongeman. Mocht de nieuweling in de verpleging willen gaan werken dan moest hij een vooropleiding hebben genoten op het niveau van Meer Uitgebreid Lager Onderwijs (MULO). Dit type onderwijs was ontstaan na het van kracht worden van de Onderwijswet van 1857. Had de nieuweling die vooropleiding niet dan ging hij eerst naar het Juvenaat om zijn kennis tot het gewenste niveau bij te spijkeren.
Tijdens het Juvenaat was men wel intern, maar men maakte nog geen deel uit van de communiteit van de broeders.
Na het Juvenaat volgde de nieuweling in het 'moederhuis' in Heerlen het Postulaat. Nieuwelingen die niet in de verpleging zouden gaan werken, werden doorgaans meteen toegelaten tot het Postulaat. De 'postulant' kon gedurende een half jaar kennis maken met de broeders en met het leven als kloosterling. Daarna kon hij beslissen of hij verder wilde in het proces om broeder te worden, of dat hij stopte. Ook de medebroeders hadden een stem. Zij beslisten mee of dat de nieuweling voldoende geschikt werd bevonden om broeder te worden. Zo ja, dan volgde de broeder-in-spé, eveneens in Heerlen, gedurende twee jaar het Noviciaat.
De novice volgde samen met andere novicen en onder leiding van een novicemeester een opleidingstraject. Als de twee jaren waren afgerond volgde het moment waarop de nieuweling tijdens een plechtige ceremonie - de 'Professie' genaamd - de gelofte van 'armoede', 'gehoorzaamheid' en 'zuiverheid' aflegde. De inhoud van deze gelofte volgde de leefregels zoals die in de 12e eeuw waren opgesteld door de heilige Franciscus van Assisi.
De nieuwe broeder mocht vanaf dan ook de broedernaam dragen die hij zelf gekozen had. De broedernaam verwees naar iemand die in het verleden heilig was verklaard.
Het onderscheid tussen priesters en broeders.
Priesters zijn hoog opgeleid: ze hebben gedurende zes jaar het 'klein seminarie' gevolgd, dat vergelijkbaar is met het gymnasium, en vervolgens, eveneens gedurende zes jaar, het 'groot seminarie': een wetenschappelijke studie met het accent op theologie, klassieke talen en filosofie. Nadat hij, meestal door een bisschop, is gewijd mag de priester katholieke sacramenten toedienen, zoals bijvoorbeeld voorgaan in de heilige mis (de eucharistie), biecht horen en het sacrament van de zieken toedienen.
Broeders waren doorgaans laag opgeleid. Ze waren niet gewijd en mochten derhalve ook geen sacramenten toedienen. Daarom is er op Providentia altijd een 'rector' (priester) aanwezig geweest, die al die bevoegdheden wél had.
Nogal wat broeders kwamen uit boerenfamilies en brachten veel kennis met zich mee over het runnen van een gemengd boerenbedrijf: zowel landbouw als veeteelt. Dat was nuttig en noodzakelijk want de broeders hebben vele jaren nodig gehad om te zorgen dat Providentia volledig zelfvoorzienend werd.
De meeste broeders ontwikkelden zich tot vakman op een bepaald terrein. Het waren onder meer boeren, tuinders, timmerlui, schoenmakers en kleermakers. Op Providentia waren de broeders vrijwel altijd hoofd van een afdeling, bijvoorbeeld van de boerderij of de kleermakerij of de schoenmakerij, etc.
Het bestuur van de congregatie
Bij de start van de congregatie in 1876 had Mgr. Savelberg zichzelf benoemd tot directeur. Toen hij in 1907 na een lang ziekbed overleed, werd hij opgevolgd door Mgr. Leo Driessen.
De directeur was als 'geestelijk vader' belast met de algemene en zakelijke belangen en het beheer van de goederen van de congregatie. Dat was in elk geval op papier zo, maar zowel Savelberg als later Driessen (zij het in mindere mate) hebben zich toch nog regelmatig bemoeid met de dagelijkse gang van zaken binnen de congregaties en zeker met de toelating van postulanten en novicen en met andere personele zaken.
Daarnaast was er in het moederhuis in Heerlen een 'algemene overste', soms ook wel 'generale overste' genoemd.
Dat was de persoon die feitelijk leiding gaf aan het bestuur van de congregatie. De algemene overste werd gekozen door de 'geestelijk vader' (Mgr Savelberg of diens opvolger (Mgr Driessen), de vorige algemene overste, vijf raadbroeders, de huisoversten en een of twee afgevaardigden van elk huis. De algemene overste werd gekozen voor een periode van 3 jaar, met maximaal twee aaneengesloten termijnen.
De verschillende huizen van de congregatie werden geleid door een (huis)overste. Ook deze overste werd gekozen, in dit geval door de broeders die in het betreffende huis werkzaam waren.
Vermeldenswaard is nog dat het huis van de broeders in Koningslust oorspronkelijk behoorde tot de congregatie van de 'Broeders van Franciscus', die een aantal boerderijen had. In 1936 kwam het tot een fusie met de congregatie van de broeders van de Heilige Joseph.
Mgr. Leo Driessen was de tweede en tevens laatste directeur die de congregaties van de kleine zusters en de broeders hebben gehad, want na het overlijden van de man werd de functie niet opnieuw ingevuld en was de algemene overste de hoogste baas. Driessen had er overigens zelf bij de zusters en de broeders op aangedrongen zijn functie te laten vervallen. "Jullie redden het ook wel zonder directeur", had ie gezegd.
De aankoop van gronden in Sterksel en de start van Huize Providentia
Broeder Aloysius was de eerste algemene overste. In 1919 ging hij, samen met adviseur Piet Vullings uit Heeze, in Sterksel een kijkje nemen of de gronden die werden aangeboden door de 'Maatschappij Heerlijkheid Sterksel' [2] wel geschikt zouden zijn voor een nieuwe vestiging van de congregatie. Er kwam overeenstemming met de Maatschappij, en het bestuur van de congregatie besloot om de bisschoppen van Roermond (omdat de congregatie een Limburgse congregatie was) en Den Bosch (omdat Sterksel tot dat bisdom behoorde) toestemming te vragen om een nieuw huis te bouwen in Sterksel. Die goedkeuringen kwamen er.
[2] Meer informatie over de 'Maatschappij Heerlijkheid Sterksel vind je HIER op de website van de Heemkundekring 'Heerlijkheid Heeze-Leende, Zesgehuchten' .

Broeder Aloysius Vrijens
Broeder Bonaventura was aangesteld als de eerste huisoverste van Providentia. Hij arriveerde op 25 februari 1920 op Sterksel, een dag later gevolgd door zeven andere broeders en enkele patiënten. Ze vonden een voorlopig onderkomen in een oud fabriekje aan de Pastoor Thijssenlaan. Het gezelschap ging aan de slag om op het aangekochte terrein allereerst een noodklooster te bouwen, zo dicht mogelijk bij de plek waar het nieuwe klooster zou moeten komen. De 'eerstesteenlegging' van dit tijdelijke onderkomen gebeurde door Piet Vullings op 8 september 1920.
Mgr Leo Driessen ondertekende bij notaris Hoffmans in Eindhoven op 20 september 1920 de 'Akte van Aankoop' van 61,75 ha grond van de 'Maatschappij Heerlijkheid Sterksel' voor de prijs van Fl 19.937,50.
Eind december 1920 was het noodklooster klaar en konden de broeders en de patiënten het oude fabriekje in Sterksel definitief verlaten. Met de bouw van het grote klooster werd begonnen in 1925.
De oplevering vond plaats in december 1927.
30-06-25
FvB